werkvertaling Euripides' Troiades
Eerste epeisodion 466 - 510




470




475




480




485




490




495




500




505




510
Heka




















Sta toe dat ik ( de niet gewenste dingen zijn mij niet welkom, meisjes)
blijf liggen nadat ik gevallen ben: want dingen die erg genoeg zijn om te vallen
lijd ik en heb ik geleden en zal ik nog lijden.
O goden: (weliswaar) waardeloos de bondgenoten die ik aanroep,
maar toch heeft het wel iets de goden aan te roepen,
(telkens) wanneer iemand van ons een ongelukkig lot krijgt.
Eerst is het mij nu dierbaar de goede dingen te bezingen:
want door de slechte dingen zal ik meer medelijden opwekken.
Ik was een koningin en in een koninklijke familie getrouwd,
en daar bracht ik uitmuntende kinderen voort,
niet zomaar een aantal, maar de voortreffelijkste van de Phrygiërs:
waarop een Trojaanse noch een Griekse noch een buitenlandse
vrouw ooit trots zal kunnen zijn dat ze ze verwekt heeft.
En die (kinderen) zag ik vallen door een Griekse speer
en deze haren werden bij mij weggesneden bij de graven van hun lijken,
ook hun vader beweende ik, niet omdat ik het gehoord had van anderen
maar ik zag het met deze eigen ogen
zelf dat hij afgeslacht werd bij het altaar in de voorhof,
en (ik zag) dat de stad ingenomen werd. De ongehuwde dochters die ik
grootgebracht heb tot de buitengewone waardigheid van echtgenote,
werden mij nadat ik ze voor anderen had grootgebracht uit mijn handen weggenomen:
en eri geen hoop dat ik door hen gezien zal worden
en zelf zal ik hen nooit meer zien.
En het laatste, de bekreoning van mijn ongelukkige rampen,
ik zal als slavin, een oude vrouw, naar Griekenland gaan.
En de taken, die het meest ongelukkig zijn voor deze oude vrouw,
daarmee zullen zij mij belasten, ofwel dat ik als dienares de grendels
van de deuren bewaak, (ik) die Hektor heb voortgebracht,
ofwel dat ik het eten bereid en dat ik een rustplaats op de grond heb
voor mijn gerimpelde rug, in plaats van een koninklijk bed,
terwijl ik om mijn versleten huid versleten vodden draag
van kleren, naanzienlijk voor welgestelden om te hebben.
Ach ik, rampzalige, door één huwelijk met/van één
vrouw wat voor dingen kreeg ik en welke zal ik (nog) krijgen.
O kind, O Kassandra medebacchante van de goden,
door wat voor lotsbeschikkingen/ongeluk heb jij je maagdelijkheid prijsgegeven.
En jij, o rampzalige, waar ben jij toch Polyxena?
Want noch een mannelijke noch een vrouwelijke afstammeling
helpt, hoewel er vele geboren zijn, de rampzalige (vrouw).
Waarom toch richten jullie mij op? Op grond van wat voor soort verwachtingen?
Begeleidt dan de(ze) eens in Troje sierlijke voet(en),
maar nu van een slavin is, naar een op de grond liggend bed van stro
en een stenen kussen, opdat ik, nadat ik (erop) gevallen ben sterf
nadat ik door tranen verteerd ben. Bedenkt dat niemand van de
welvarenden gelukkig is voordat hij gestorvan zal zijn.