Congruentie

  • Congruentie tussen:
    • subject en predikaat
      • het predikaat (gezegde) komt in getal (sg/ev + pl/mv) overeen met het subject (ondw).
      • NB: is het subject neutrum plurale (onz. mv.) dan staat het predikaat/gezegde gewoonlijk in de singularis (ev)
        • ta qhria feugei = de dieren vluchten
    • subject en predikaatsnomen (naamwoordelijk deel van het gezegde)
      • het predikaatsnomen heeft geen lidwoord!
        • nux ¹ ¹mera ™geneto = de dag werd nacht
        • ¹mera ¹ nux ™geneto = de nacht werd dag
      • het predikaatsnomen past zich (zoveel mogelijk) in geslacht, getal en naamval aan aan het subject
        • aƒ òdai kalai ºsan = de liedern waren mooi
      • is het subject neutrum plurale: dan staat het naamwoordelijk deel in de pluralis, maar het gezegde in de singularis:
        • ta dwra kala ™stin = de geschenken zijn mooi
    • adiectivum / bijvoeglijke bepaling en substantivum
      • een adiectivum of bijvoeglijke bepaling staat of tussen het lidwoord en het substantivum of na het substantivum met herhaling van het lidwoord.
    • substantivum en appositie (bijstelling)
      • een bijstelling komt zoveel mogelijk overeen met he nomen, waarbij hij geplaatst is:
        • Qoukudidhj 'Aqhnaioj xunegraye... = Thoukydides, de Athener/uit Athene heeft geschreven....
        • NB: met lidwoord: Qoukudidhj Ð 'Aqhnaioj xunegraye... = Thoukydides, de - (bij de lezer) bekende Athener heeft geschreven....
      • de bijstelling bij een pronomen personale (pers. vnw.) wordt voorafgegaan door het lidwoord
        • ¹meij oƒ 'Aqhnaioi = wij Atheners
    • predicatieve bepaling en het bepaalde
      • evenals het predikaatsnomen geen lidwoord:
        • Ð kubernhthj Østatoj thn naun katelipen = de stuurman verliet als laatste het schip
      • bij werkwoorden met "dubbele accusativus":
        • aƒrountai aÏton strathgon = zij verkozen hem tot strateeg
        • Kuroj strathgoj ¡podeiknutai = Kyros wordt benoemd tot aanvoerder
    • pronominaal subject en predikaatsnomen
      • is het subject een pronomen demonstrativum, relativum of interrogativum dan past het predikaatsnomen zich daaraan aan (in het Ned. het pornomen onzijdig vertalen!)
        • aØth ¢noia ™stin = dat is dwaasheid