- Relatieve bijzinnen worden ingeleid door pronomina of
adverbia relativa o.a.:
- Ðj = bepaald betr. vnw.
(dwz. het is duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in gedachten
heeft)
- Ðstij = onbepaald betr.
vnw. (dwz. het is niet duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in
gedachten heeft, een willekeurig iemand/iets, wie/wat hij/het ook
is)
- de relatieve adverbia correlativa
- Relatieve bijzinnen zijn onder te verdelen in twee groepen:
- autonome: dwz. bijzinnen zonder antecedent, "met ingesloten
antecedent"
- terugverwijzende: dwz bijzinnen die terugverwijzen naar
een antecedent
|
- Relatieve bijzinnen:
- bepaald:
- voorbeelden:
- Ð ¢nhr Ðj poihse
touto kolasqh = de man die dat gedaan heeft werd
gestraft (het is duidelijk wie de spreker op het oog heeft)
- onbepaald:
- voorbeelden:
- Ð ¢nhr Ðstij poihse
touto kolasqhsetai = de man (wie hij ook is) die dat
gedaan heeft zal gestraft worden (de spreker heeft niet
een bepaald iemand op het oog)
|
- Relatieve attractie: een relativum dat in de accusativus moest
staan, maar terugslaat op een antecedent in de genitivus of dativus
komt dikwijls in de naamval van het antecedent; dit antecedent staat
dan vaak in de relatieve bijzin (aan het eind) of wordt weggelaten,
als het een demonstrativum is:
- antecedent niet in de relatieve bijzin:
- Ðpwj oÙn sesqe ¢ndrej
¢xioi thj leuqeriaj ¹j kekthsqe = dat
jullie mannen zijn die de vrijheid waard zijn die jullie bezitten.
(¹j ipv ¹n)
- antecedent in de relatieve bijzin: (in het Ned.
moet het antecedent dan naar voren gehaald worden!)
- ¢maqestatoi ste, æn
gw oda `Ellhnwn = jullie zijn de onwetendste
van de Grieken die ik ken. (ontstaan uit: ¢maqestatoi
ste twn `Ellhnwn, oØj gw oda ).
- antecedent weggelaten: (in het Ned. moet het antecedent
aangevuld worden bv.: wie = degene, die)
|
- Relatieve aansluiting: als in het Grieks een nieuwe zin (dwz.
na . ; : of ?) met een relativum begint, moet dit in het Ned. vertaald
worden door een aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord, eventueel voorafgegaan
door een van de woordjes "en, maar, want" om zo het nauwere
verband met de voorafgaande zin tot uitdrukking te brengen.
|
- Bijzonderheden:
- pantej Ðsoi = allen, die
- pantej Ðposoi = allen (wie ze
ook maar zijn), die
- Ðsoi, Ðposoi in autonome
relatieve bijzinnen meestal oook: "allen die"
- esin o, stin o
= (er zijn er die) = sommigen
|
| |
| |
| |
| |