- Relatieve bijzinnen worden ingeleid door pronomina of
adverbia relativa o.a.:
- Ðj = bepaald betr. vnw.
(dwz. het is duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in gedachten
heeft)
- Ðstij = onbepaald betr.
vnw. (dwz. het is niet duidelijk wie/wat de spreker bedoelt/in
gedachten heeft, een willekeurig iemand/iets, wie/wat hij/het ook
is)
- de relatieve adverbia correlativa
- Relatieve bijzinnen zijn onder te verdelen in twee groepen:
- autonome: dwz. bijzinnen zonder antecedent, "met ingesloten
antecedent"
- terugverwijzende: dwz bijzinnen die terugverwijzen naar
een antecedent
|
- Terugverwijzende relatieve bijzinnen: antecedent in hoofdzin
- bepaald:
- voorbeelden:
- Ð ¢nhr Ðj poihse
touto kolasqh = de man die dat gedaan heeft werd
gestraft (het is duidelijk wie de spreker op het oog heeft)
- onbepaald:
- voorbeelden:
- Ð ¢nhr Ðstij poihse
touto kolasqhsetai = de man (wie hij ook is) die dat
gedaan heeft zal gestraft worden (de spreker heeft niet
een bepaald iemand op het oog)
|
- Autonome relatieve bijzinnen: geen antecedent: "met ingesloten
antecedent" dit moet in het Ned. aangevuld worden: bv. wie,
degene die
- voorbeelden:
- Ðj ¢n
tucV = wie je maar toevallig (haat of liefhebt)
(Eur. Troi. 68)
|
- Bijzonderheden:
- pantej Ðsoi = allen, die
- pantej Ðposoi = allen (wie ze
ook maar zijn), die
- Ðsoi, Ðposoi in autonome
relatieve bijzinnen meestal oook: "allen die"
- esin o, stin o
= (er zijn er die) = sommigen
|
| |
| |
| |
| |