|
40
45
50
55
|
Doe dat, vraag ik je, m'n beste Lucilius, wat je als enige gelukkig kan maken: sla kapot
en vertrap die dingen die aan de buitenkant schitteren, die aan jou beloofd worden door een ander
of namens een ander; kijk naar het ware goede en verheug je over het jouwe. Wat id dat echter
"over het jouwe"? over jezelf en het beste deel van jezelf. Beschouw bovendien je lichaampje, ook al kan niets
gebeuren zonder dat (lichaampje), meer als
iets noodzakelijks dan als belangrijk; ijdele
genoegens draagt het aan, kortstondige betreurenswaardige en, als het niet door grote zelfbeheersing
beteugeld wordt, die in het tegendeel zullen overgaan. Ik bedoel het zo: genotzucht staat op de rand van de afgrond,
loopt uit op smart als het geen maat hield; het is echter moeilijk maat te houden in in dat
waarvan je bent gaan geloven dat het goed is; het verlangen naar het ware goede is veilig.
Wat is dat, vraag je, en waarvandaan komt het? Ik zal het zeggen: uit een goed geweten,
uit eerzame voornemens, uit juiste handelingen, uit verachting van toevalligheden, uit
een harmonieuze en constante levenswandel van degene die één pad bewandelt. Want zij die van het ene
voornemen naar het andere overspringen of zelfs niet overspringen maar door een zeker toeval
overgebracht worden, hoe kunnen zij iets zekers of blijvends hebben,
onzeker en wisselvallig (als ze zijn)? Er zijn (maar) weinigen zo dat ze met beleid zichzelf en het hunne regelen:
de anderen,
op de wijze van dingen die in de rivier drijven, gaan niet (zelf) maar worden meegevoerd; sommigen daarvan
hield een nogal kalme
stroom en drijft ze nogal zacht voort; anderen sleurde een sterkere (stroom) mee, weer anderen
deed de stroom, het dichtsbij de oever,
daarop landen omdat de stroom zwakker wordt, nog weer anderen wierp een razende stroom uit in zee. Daarom
moet vastgesteld worden wat wij willen en moet daarin volhard worden.
De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.
|