werkvertaling Seneca, Epistulae ad Lucilium XXXXI, 1-8 (c)

 

35




40




45




50

Welke is dan deze geest? (de geest) die door geen ander goed schittert, dan zijn eigen (goed). Wat immers is
dwazer dan in een mens te prijzen wat van een ander is? Wat is gekker dan iemand die die dingen bewondert
die in enen door naar een ander overgedragen kunnen worden? Niet beter maken eenn paard
de gouden teugels. Het is heel iets anders wanneer met vergulde manen (de arena in) gestuurd wordt, afgemat terwijl hij onder handen
genomen wordt en gedwongen wordt tot het dulden van het ontvangen van de versiering, dan wanneer (een leeuw) onversierd, met een
ongebroken geest: deze (laatstgenoemde), natuurlijk fel in onstuimigheid, zoals de natuur gewild heeft dat hij is, prachtig
door zijn huiveringwekkendheid, van wie dit de charme is dat hij niet zonder schrik aanschouwd wordt, wordt verkozen boven die
slome en vergulde. Niemand moet zich op iets anders beroemen dan het zijne. Een wijnstok prijzen wij als hij
zijn wijnranken overlaadt met vrucht, als hijzelf door het gewicht van de vruchten die hij draagt de stutten
naar beneden trekt: niemand zal toch boven deze die wijnstok verkiezen waaraan gouden druiven, gouden
bladeren hangen? De aan de wijnstok eigen deugd is de vruchtbaarheid; ook bij een mens
moet dat geprezen worden wat van hemzelf is. Een prachtig huishouden heeft hij en een mooi huis,
hij zaait veel, leent veel uit tegen rente: niets van die dingen is in hemzelf, maar rondom
hemzelf. Prijs in hem dat wat noch ontrukt kan worden noch gegeven kan worden nl. wat eigen aan de mens
is. Je vraagt wat dat is? de geest en een volmaakte rede in de geest. De mens is immers
een met rede begiftigd levend wezen; en zo wordt zijn goede vervolmaakt als hij dat vervult waarvoor
hij geboren wordt. Wat is het dan dat deze rede van hem eist? Iets heel makkelijks,
volgens zijn eigen natuur leven. Maar dit maakt de algemen waanzin moeilijk:
wij drijven elkaar tot fouten. Maar hoe kunnen wij teruggeroepen tot
redding/geluk (wij) die niemand tegenhoudt, (wij die) de massa ertoe opdrijft ?
Vaarwel.

 

De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.