werkvertaling Seneca, Epistulae ad Lucilium XXXXVII, 1-5





5



,

10




15




20


Met genoegen heb ik van degenen die van jou komen vernomen dat jij met jouw slaven als met familie
omgaat/leeft: dit siert jouw verstandig inzicht, dit siert jouw ontwikkeling."Het zijn slaven." Integendeel
(het zijn) mensen. "Het zijn slaven." Integendeel (het zijn) huisgenoten. "Het zijn slaven." Integendeel (het zijn) vrienden
uit een lagere (sociale) klasse. "Het zijn slaven." Integendeel (het zijn) medeslaven, als je (zult) bedenken dat tegenover beide groepen
aan het lot evenveel geoorloofd is.

Dus lach ik om die (mensen) die menen dat het schandelijk is met hun eigen slaaf te eten: waarom behalve dan
omdat een zeer hoogmoedige gewoonte de meester wanneer hij dineert met een schare (van) staande slaven
omgeven heeft? Die eet meer dan hij op kan, en met een enorme gulzigheid overlaadt hij zijn opgezwollen
maag (en) die al niet meer gewend is aan de taak van een maag, zodat met grotere inspanning alles uitbraakt
dan dat hij het erin gepropt heeft. Maar voor de ongelukkige slaven is het bewegen van de lippen zelfs niet voor dit doel, dat
zij spreken , niet geoorloofd; met de roe wordt elk gemompel/gefluiter bedwongen en zelfs toevallige geluiden niet
zijn uitgezonderd van de zweepslagen, (geluiden als:) hoesten, niezen en hikken; met een grote straf
wordt het onderbreken van de stilte door enig stemgeluid beboet; de hele nacht door blijven zij staan zonder eten en zwijgend. Zó
gebeurt het dat die (slaven) over hun meester spreken, (de slaven) voor wie het niet geoorloofd is in tegenwoordigheid van hun meester
te spreken. Maar zij voor wie er gespreksmogelijkhied is niet alleen in tegenwoordigheid van de meerters maar ook met henzelf, van wie
de mond niet werd dichtgesnoerd, waren bereid voor hun meester hun nek uit te steken, dreigend gevaar
naar hun eigen hoofd af te wentelen; tijdens feestmalen spraken zij, maar tijdens
folteringen zwegen zij. Vervolgens wordt een spreekwoord van een zelfde arrogantie te gebracht,
er zijn evenveel vijanden als er slaven zijn: wij hebben hen niet als vijanden, maar wij maken ze (tot vijanden).
Intussen ga ik aan de andere wreedheden, onmenselijkheden voorbij, namelijk dat wij ze zelfs niet als mensen
maar als (last)dieren misbruiken. Wanneer wij aan tafel (zijn gaan) aanliggen,
zal de een het spuug afvegen, de ander de resten van de beschonkenen onder het aanligbed gekropen verzamelt.

 

De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.