werkvertaling Seneca, Epistulae ad Lucilium XXXXVII, 16-21





100



,

105





110




115




120





125

Er is geen reden, mijn Lucilius, om een vriend alleen maar op het forum of in de curia te zoeken: als
je zorgvuldig zult opletten, zul je die ook thuis vinden. Dikwijls ligt goed materiaal ongebruikt terneer zonder
kunstenaar/vakman. Probeer het (uit) en ondervind het. Zoals diegene dwaas is die, waneer hij op het punt staat een paard
te kopen, niet (het paard) zelf inspecteert maar zijn dek(kleed) en teugels, zo is hij zeer dwaas
die een man ofwel op grond van zijn kleding ofwel op grond van zijn positie, die op de wijze van kleding aan ons
omhangen is, (op zijn waarde) beoordeelt.

"Het is een slaaf." Maar misschien vrij van geest. "Het is een slaaf." Zal dat hem tot nadeel zijn?
Toon mij wie geen (slaaf) is: de een is slaaf van de wellust, een ander van de hebzucht, weer een ander van eerzucht,
allen van hoop, alleen van vrees. Ik zal als voorbeeld geven een oud-consul die slaaf is van een oude vrouw en als voorbeeld geven
een rijkaard die slaaf van een slavinnetje, ik zal je zeer edele jongemannen tonen die slaven zijn van pantomime-
spelers: geen enkele slavernij is schandelijker dan de vrijwillige. En daarom is er geen reden waarom
die hoogmoedigen jou ervan (kunnen) afschrikken om je aan jouw slaven vriendelijk/opgewekt te betonen en niet
hoogmoedig als superieur: laten ze je liever eren dan vrezen.

Iemand zal nu zeggen dat ik de slaven tot de vrijheid opriep en de meesters van hun voetstuk
gooi, omdat ik gezegd heb: "laten zij liever hun meester eren dan vrezen" "Is dat" zegt hij
"echt zo? Moeten zij (hun meester) eren als clienten en brengers van de ochtendgroet?" Hij die dit zal zeggen
vergeet (zal vergeten) dat voor meesters dat niet te weinig is wat voor een god voldoende is. Wie vereerd wordt, wordt ook
bemind: liefde kan niet gemengd worden met vrees. Ik ben dus van mening dat jij er heel juist aan doet
dat jij jij niet gevreesd wilt worden door jouw slaven, dat jij straf bestaande uit woorden gebruikt::
met zweepslagen worden stomme (dieren) terecht gewezen. Niet alles wat ons beledingt, kwets ons ook; maar
verwendheid dwingt ons te geraken tot razernij, zodat alles wat niet beantwoordde aan onze wensen
woede oproept. Wij bekleden ons met een air van koningen; want zij ook vergetend zowel
hun eigen krachten als de zwakte van een ander raken zo verhit, tieren zo
alsof zij een onrecht ondervonden hebben, tegen het risico waarvan de verhevenheid van hun eigen positie
hen zeer veilig maakt. En zij weten dit heel goed, maar grijpen de gelegenheid om te schaden aan
door te klagen; ze hebbeb (zogenaamd) onrecht ondervonden, om (onrecht) te (kunnen) doen.

Ik wil je niet langer ophouden; jij hebt immers geen aansporing nodig. Dit hebben
goede karakters onder andere: ze zijn tevreden met zichzelf, blijven bestaan (als dezelfde). Wisselvallig is de kwaadaardigheid,
zij verandert dikwijls, niet in iets betyers, maar in iets anders.
Vaarwel.

 

De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.