werkvertaling Seneca, De Constantia Sapientis 5,6 - 6,7.





5


10





15




20




25




30




35




40

Demetrius, die de bijnaam Stedenbedwinger had, had Megara ingenomen. Toen door hem Stilbo
de filosoof gevraagd werd of hij soms niet iets verloren had, zei hij "niets, al het mijne
is met mij." Maar toch was zowel zijn familiebezit tot (deel van de) buit geworden als had de vijand
zijn dochters verkracht èn was zijn vaderstad/land onder andermans zeggenschap gekomen èn de koning,
omgeven door de wapens van het overwinnende leger, ondervroeg Stilbo zelf dringend vanaf een hogere plaats. Maar hij (Stilbo)
sloeg hem (Demetrius) de overwinning uit handen en getuigde dat hij (Stilbo) hoewel de stad ingenomen was, niet alleen onoverwonnen
maar ook ongeschonden was; hij had immers het ware goede met zich , waarop geen beslaglegging (mogelijk) is,
maar de dingen die verdeeld en weggerukt werden weggedragen beschouwde hij niet als de zijne, maar
als vreemd/niet-eigen en de gril(len) van het lot volgend. Daarom had hij die dingen niet bemind/liefgehad als zijn eigen (dingen);
want van alle dingen die van buitenaf toestromen is het bezit vluchtig en onzeker.

Overweeg nu of hem een dief, of een valse aanklager of een teugelloze buurman of een rijk
iemand die de macht van zijn kinderloze ouderdom uitoefent, (hem) onrecht kan doen, aan wie een oorlog
èn een vijand én hij die prat gaat op de uitstekende vaardigheid in het verwoesten van steden niets heeft kunnen
ontrukken. Te midden van overal flikkerende zwaarden en het rumoer van soldaten bij het plunderen,
te midden van de vlammen en het bloed en/van de slachting van het ten val brengen van een stad, tussen het geraas
van tempels die bovenop hun (eigen) goden vallen was er vrede voor één man. Er is dus geen reden
dat jij het beschouwt als een overmoedige belofte, waarvan ik jou, als ik te weinig geloof heb, een borg
zal geven. Je gelooft immers nauwelijks dat zoveel standvastigheid in een man of zo grote grootsheid
van geest terechtkomt; maar hij gaat naar voren naar het midden(midden tussen de mensen), die zo is dat hij zegt: er is geen reden
om te twijfelen of een als mens geborene zich kan verheffen boven het menselijke (uit) of hij verdriet
schade, zweren wonden, grote bewegingen van dingen die rondom hem bulderen
onbezorgd/onbevreest gadeslaat en de harde dingen kalm (ver)draagt en de gunstige bedaard/rustig, noch voor eerstgenoemde wijkend
noch op laatstgenoemde vertrouwend (maar) onder verschillende omstandigheden één en dezelfde is en niets als zijn eigen beschouwt
behalve zichzelf, en van zichzelf dan nog alleen maar het beste deel. Kijk ik ben aanwezig om dit aan jullie te be-
wijzen, (nl.) dat onder (de leiding van) die (beruchte) verwoester van zoveel steden de versterkingen door het stoten met de stormram
aan het wankelen gebracht werden en de hoogte van de torens door mijngangen en verborgen grachten plotseling ineenzonk en
de wal groeide om de zeer hoog oprijzende burchten te evenaren maar dat geen enkel belegringswerk
gevonden kon worden dat zo was dat het een goed gefundeerde geest in beroering bracht. Ik ben zojuist tevoorschijn gekropen uit
de puinhoop van mijn huis en terwijl de branden aan alle kanten oplichtten ben ik door het bloed(bad) heen de vlammen ontvlucht;
welk lot mijn dochters (getroffen) heeft, of het slechter is dan dat van de stad/het volk weet ik niet; alleen en als oudere man en hoewel ik
alle dingen rondom mij als vijandelijk/in handen van de vijanden zie beken ik toch dat mijn bezit ongeschonden en ongedeerd is:
ik (be)houd, ik heb alles wat ik van mij(zelf) had. Er is geen reden dat je mij als overwonnene
en je(zelf) als overwinnaar beschouwt: jouw lot heeft mijn lot overwonnen. Die vergankelijke dingen en
en dingen die van eigenaar wisselen, waar die zijn weet ik niet: wat betreft mijn eigen zaken, (die) zijn met mij
en zullen met mij zijn. Die rijkaards hebben hun familiebezittingen verloren, de wellustelingen hun liefjes
en hun met groot verlies van eergevoel beminde hoertjes, de eerzuchtigen de curia en het forum
en de plaatsen bestemd om hun ondeugden te beoefenen in het openbaar; de woekeraars hebben hun (was)tafeltjes/kasboeken
verloren, waarop gierigheid zich ten onrechte blij inbeeldt rijkdom te zijn: ìk tenminste heb alles
volledig en onverminderd. Ondervraag daarom die mensen die wenen jammeren,
die hun naakte lichamen stellen tegenover getrokken zwaarden voor hun geld, die de vijand met volgeladen kledingplooien
ontvluchten.

 

De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.