|
5
10
15
20
25
|
Seneca groet zijn Lucilius
Zij schijnen mij toe zich te vergissen, die menen dat degenen die trouw
de filosofie zijn toegewijd
aanmatigend en eigenwijs zijn, verachters van magistraten en koningen
of van hen door wie de staatszaken bestuurd worden. In tegendeel immers niemand is tegenover
hen dankbaarder. en zeer terecht; voor niemand brengen zij (de bestuurders) meer tot stand dan voor hen
voor wie het mogelijk is te genieten van rustig ambeloos leven/vrije tijd. Zij derhalve, voor wie de openbare rust
bijdraagt tot hun voornemen om goed te leven moeten noodzakelijkerwijs de bewerker van dit goed
als een vader eren.
Veel meer althans dan die rustelozen en zij die in het volle leven staan,
die veel aan de leiders verschuldigd zijn maar ook veel in rekening brengen aan wie nooit zó
volledig enige vrijgevigheid
kan tegemoetkomen datdie hun begeertes, die toenemen/groeien,
terwijl ze vervuld worden,
volledig zal verzadigen.Alwie echter denkt aan het ontvangen is het
ontvangene vergeten, en de begeerte heeft geen enkel groter kwaad dan dat die ondankbaar is.
Voeg nu daarbij dat niemand van hen die zich bezighouden met staatszaken kijkt naar hoevelen hij overwint,
maar naar door wie hij overwonnen
wordt; en voor hen is het niet zozeer aangenaam velen achter
zich te zien als wel erg vervelend iemand boven zich (te zien).
Elke eerzucht heeft deze fout: hij kijkt niet achterom. En niet alleen is eerzucht onbestendig
maar ook elke begeerte, omdat die altijd weer begint bij het einde. Maar die oprechte man
en zuivere, die achterliet én de curia én het forum én het hele besturen van de
om naar verhevenere zaken weg te gaan, houdt van hen door wier toedoen het hem mogelijk is
dit veilig te doen en hij is de enige die hen belangeloos getuigenis aflegt daarover en hen iets groots
verschuldigd is zonder dat ze het weten. Zoals hij zijn leermeesters vereert en bewondert
door wier weldaad hij uit die wildernis kwam, zo ook hen, onder wier bescherming geplaatst,
hij zijn goede sudies/de filosofie beoefent.
"Maar anderen ook beschermt een koning met zijn machtsmiddelen". Wie ontkent dat?" Maar zoals
hij meent Neptunus het meest/meer verschuldigd te zijn van degenen die dezelfde rustige zee gebruikt
hebben, (hij) die de meeste/meer en kostbaarste/kostbaardere dingen vervoerde op die zee, zoals door een koopman
meer enthousiast een gelofte wordt ingelost dan door een passagier zoals van die koopmannen zelf hij het uitbundiger
dank betuigt die reukwerk en purperen stoffen en met goud te betalen dingen vervoerde dan hij die het allergoedkoopste
en dingen die ballast zouden zijn had bijeengebracht. zo bereikt de weldaad van deze vrede die tot allen
zich uitstrekt, hen dieper/intensiever die haar goed gebruiken.
De complete werkvertaling van Seneca kun je hier downloaden.
|