225
230
235 |
En reeds was er einde aan, toen Iuppiter vanaf het hoogste punt van
de hemel
naar beneden kijkend naar de met zeilschepen bevaren zee en de (daar)
liggende landen
en kusten en wijd en zijd wonende volken, zó op de top van de
hemel
bleef staan en zijn ogen vast richtte op het rijk van Libië.
En tot hem, terwijl hij zulke zorgen in zijn hart heen en weer liet
gaan,
sprak Venus nogal bedroefd en wat haar stralende ogen betreft overgoten
met tranen:
u die de zaken van èn mensen èn goden
bestuurt met eeuwige macht en de mensen bang maakt met uw bliksem,
wat voor zo groot iets heeft mijn Aeneas tegen u kunnen begaan,
wat voor zo groot iets hebben de Trojanen kunnen (begaan), voor wie,
nadat ze zoveel
verliezen geleden hebben, de hele wereld gesloten wordt vanwege Italië?
Dat zeker uit hen de Romeinen eens zullen voortkomen, in het voortwentelen
der jaren,
en (ook) uit hen de leiders, uit het weer tot leven gewekte bloed van
Teucer,
opdat zij de zee, opdat zij alle landen in hun macht houden,
hebt u beloofd -- Welke opvatting heeft, vader, u van gedachten doen
veranderen?
|