Werkvertaling Vergilius' Aeneis II, 122 - 133.



125




130


Dan trekt de man van Ithaca de waarzegger Calchas met veel lawaai naar voren
naar het midden; hij vraagt wat die orakels van de goden te
betekenen hebben. En voor mij voorspelden reeds velen de wrede
misdaad van de bedrieger, en zagen zwijgend wat zou komen.
Hij zwijgt tweemaal vijf dagen en bedekt (in zijn tent) weigert hij
weigert hij met zij stem iemand te verraden of bloot te stellen aan de dood.
Met moeite eindelijk, door luide schreeuwen van de man van Ithaka ertoe gebracht,
laat hij zijn stem horen volgens afspraak en bestemt mij voor het altaar.
Allen stemden ermee in en wat ieder voor zichzelf vreesde
lieten ze toe, nu het uitgelopen was op de ondergang van één ongelukkige.
Reeds was de onheilsdag aanwezig; voor mij werden offers in gereedheid gebracht
en gezouten gerstekorrels en rondom mijjn slapen wollen banden.