235
240
245
|
Wij maken een bres in de muren en leggen de gebouwen van de stad open.
Allen gorden zich aan voor het werk en onder de voeten leggen zij
rollende wielen, en banden van vlas malen zij aan de aan de hals
vast, en het noodlottige werktuig beklimt de muren
zwanger van wapens. Rondom zingen jongens en ongehuwde meisjes
heilige (liederen) en verheugen zich het touw met de hand aan te raken;
het (werktuig) gaat naar binnen en rolt dreigend naar het midden van
de stad.
O vaderland, o Ilium huis der goden en door de oorlog vermaarde
muren van de Trojanen! viermaal juist op de drempel van de poort
bleef het steken en viermaal gaven de wapens in de buik geluid;
toch zetten wij door gedachteloos en blind van razernij
en plaatsen het ongeluk brengende monster op de heilge burcht.
Dan ook opent Cassandra over het toekomstige noodlot
haar mond, op bevel van een god, nooit geloofd door de Trojanen.
Wij ongelukkigen, voor wie die dag de laatste zou zijn, versieren
de tempels van de goden met feestelijk loof door (heel) de stad.
|