Werkvertaling Vergilius' Aeneis II, 25 - 39.
25




30




35


Wij meenden dat ze vertrokken waren en met (een gunstige) wind naar Mycene gegaan.
Dus heel Troje maakt zich los van het langdurige verdriet:
de poorten worden geopend, het doet genoegen erop uit te gaan en het Griekse kamp
de verlaten plaatsen en de achtergelaten kust te zien:
hier had de groep van de Dolopiërs hun tent, hier de wilde Achilles;
hier was de (aanlig)plaats voor de vloot, hier waren zij gewoon in slaglinie te vechten.
Een deel staat verbaasd over het verderfelijke geschenk van de ongehuwde Minerva
en verwonderen zich over de grote massa van het paard; en als eerste spoort
Thymoetes het (paard) binnen de mauren te brengen en op de burcht te plaatsen,
hetzij met list hetzij de lotsbestemming van Troie het reeds zo bracht.
Maar Capys en degenen wier geest een betere mening had (lett. aan wier geest .....was.)
bevelen de hinderlaag van de Grieken en het verdachte geschenk in zee
te storten en te verbranden nadat er vuur onder gelegd was,
of de holle schuilplaats van de buik te doorboren en te beproeven.
Het onzekere volk wordt verscheurd in tegengestelde verlangens.