Werkvertaling Vergilius' Aeneis II, 279 - 297.

280




285




290




295

................................Als eerste scheen/droomde ik zelf wenend
de man toe te spreken en bedroefde woorden te uiten:
" o licht van Troje, o zeer betrouwbare hoop van de Trojanen,
welk zo groot uitstel heeft u opgehouden? van welke kusten Hector,
langverwachte, kom je? Hoe (blij) na vele begrafenissen van de jouwen,
na verschillende ellendes van de stad en de mensen
aanschouwen we afgemat jou! welke onwaardige oorzaak heeft jouw kalme
gelaat bezoedeld? of waarom zie ik deze wonden?"
Hij (zegt) niets en hij slaat geen acht op mij, die zinloze dingen vraagt,
maar zwaar uit het diepst van zijn borst een gekreun slakend,
" wee vlucht, zoon van een godin," zegt hij " en ontruk je aan deze vlammen.
de vijand heeft de muren; Troje stort in vanaf zijn hoge top.
genoeg is er gedaan voor het vaderland en Priamus: als Pergamum met de rechterhand
verdedigd zou kunnen worden, zou het ook met deze rechterhand van mij verdedigd zijn.
Troje vertrouwt jou haar heigdommen en en haar penaten toe;
neem deze als metgellzn vanb je lotgevallen, zoek voor hen een grote
stad, die je zult stichten tenslotte na over de hele zee gezworven te hebben."
Zo spreekt hij en met zijn handen draagt hij de wollen banden en de machtige Venus
en het heilige vuur weg uit het binnenste van het heiligdom.