basiskennis
latijn
vereiste kennis
adverbia
Adverbia
Adverbia (bijwoorden) worden gevormd van de adiectiva op onderstaande manier:
Regelmatige vorming

adiectiva -o/-a ( 1e /2e ) declinatie:

uitgang gen. sg. M. > -e  bijv. alti > alte (= hoog)

adiectiva gemengde (3e ) declinatie:

uitgang gen. sg. M. > -iter bijv. fortis > fortiter  (= dapper)

comparativus:

gebruikt wordt de acc. sg. N.: -ius bijv. fortius (= dapperder) , minus (= minder)

superlativus:

de uitgang -us > -e bijv. fortissime (= zeer dapper)
ook wordt gebruikt:
  • acc. sg. N:
    • facile = makkelijk.
    • plerumque = meestal.
    • primum = eerst.
    • ceterum = overigens.
    • parum = te weinig.
    • tantum = slechts, alleen maar
    • etc.
  • abl. sg. N:
    • tuto  = veilig.
    • cito = snel.
    • subito = plotseling.
    • forte = toevallig.
    • modo = 1) slechts 2) zo-even
    • etc.
Adverbia worden gebruikt:
  • als antwoord op vragen als: hoe?, wanneer?, waar? e.d.
  • als bepaling bij een werkwoord
  • als bepaling bij een adiectivum
  • als bepaling bij een ander adverbium
 
 

basiskennis Latijn
verplicht volgens CEVO:

A: te kennen stijlfiguren:
CEVO-lijst met vertaling van de voorbeelden:

stilistica: a-b, c-m, n-z
stilistica extra epos
narratologische begrippen

B: Metrum en Scanderen
C: grammatica per onderdeel:
    vormleer:
  1. substantiva
  2. adiectiva
  3. adverbia
  4. correlativa
    1. adiectiva
    2. adverbia
  5. pronomina
    1. demonstrativa
    2. indefinita
    3. interrogativa
    4. personalia
    5. possessiva
    6. relativa
  6. numeralia
  7. verba algemeen
    1. onvolt. act.
    2. onvolt. pas.
    3. volt. act.
    4. volt. pas.
  8. deponentia
    1. praesens
    2. perfectum
  9. onregelmatige ww
  10. stamtijden
    1. deponentia
    2. composita

  11. syntaxis:

  12. participium
  13. abl.abs.
  14. gerundi(v)um
  15. aci en nci
  16. gebruik tempora
  17. modi in hoofdzin
  18. modi in bijzinnen
    1. afh. vraagzin
    2. causale
    3. comparatieve
    4. concessieve
    5. conditionele
    6. consecutieve
    7. relatieve
    8. temporele
  19. nominativus
  20. genitivus
  21. dativus
  22. accusativus
  23. ablativus
  24. vocativus
  25. locativus e.a.