| Indirecte rede: iemands woorden afhankelijk van bijv. "hij zei
dat:' |
| In de indirecte rede staan: |
- alle hoofdzinnen in de a.c.i.:
- behalve, in de coniunctivus staan:
- een zin die in de directe rede
- een aansporing (coni. adhortativus) was
- een bevel (imperativus) bevatten
- een vraagzin was (wordt nu afhankelijke vraag!)
- alle bijzinnen staan in de coniunctivus
(zoals alle bijzinnen, die afhankelijk zijn van een aci of een zin
in de coniunctivus)
|
- Voorbeelden:
- mandata habere ad consules
= (hij zei dat) hij opdrachten voor de consul had.
- se ...... ad M. Valerium, ad quem
unum iter tutum fuerit, pervenisse
= (hij zei dat) hij bij M. Valerius terecht gekomen was, naar
wie alleen de weg veilig was
|
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |