"Lijst Stilistische en narratologische middelen minimumlijst Latijn CEVO" |
NARRATOLOGISCHE BEGRIPPEN |
Brevitas, Beknopte manier van spreken. Dit kan worden bereikt door woorden die door de toehoorders o.a. door het gemakkelijk in gedachten kunnen worden aangevuld weg te laten (ellips). ellips Exire ex urbe iubet consul hostem. Interrogas me, num in exilium (ire iubeam te); non iubeo (te in exilium ire), sed, si me consulis, suadeo (te in exilium ire). Begrippen uit de argumentatieleer: Syllogisme Een redenering waarbij een conclusie getrokken wordt uit twee stellingen, een algemene (maior) en een specifieke (minor) maior Alle mensen zijn sterfelijk minor Alle Romeinen zijn mensen conclusio Alle Romeinen zijn sterfelijk 1 e syllogisme: Wat altijd beweegt is eeuwig/onsterfelijk (maior) Wat zichzelf beweegt is altijd bewegend (minor) Wat zichzelf beweegt is eeuwig/onsterfelijk (conclusio)
2 e syllogisme Wat zichzelf beweegt is eeuwig/onsterfelijk (maior) De ziel beweegt zichzelf (minor) De ziel is eeuwig/onsterfelijk (conclusio) (Bron: Cicero, De re publica 6, 27-28) Analogie als argument Het argumenteren met gebruikmaking van een parallel geval Ut igitur Athenas et Lacedaemonem Atheniensium Lacedaemoniorumque causa putandum est conditas esse, omniaque quae sint in his urbibus eorum populorum recte esse dicuntur, sic quaecumque sunt in omni mundo deorum atque hominum putanda sunt. (Cicero, De natura deorum 2, 154) Quis est ergo hic animus? qui nullo bono nisi suo nitet. Quid enim est (Sen. ep. 41) A-fortiori-redenering Een des-te-meer- redenering Als een volwassene deze steen niet kan optillen, kan een kind dat al helemaal niet! Nihil enim est tam contrarium rationi et constantiae quam fortuna, ut mihi ne in deum (als een god al niet weet wat er gaat gebeuren kan een mens dat zeker niet weten) (Cicero, De divinatione 2, 18) Si tibi occurrerit vetustis arboribus et solitam altitudinem egressis frequens (Sen. Ep. 41) De redenering is als volgt: Autoriteitsargument Het opvoeren van een belangrijk/bekend persoon die eenzelfde argument hanteert als de schrijver sed ne soli . t/m . venientem (Seneca, ad Lucilium epistula 7, 10-12) (Democritus en Epicurus worden geciteerd om Seneca´s gedachte te bevestigen) Invoeren van een fictieve opponent Dicet aliquis : « Quid mihi prodest philosophia, si fatum est ? (Seneca, ad Lucilium epistula 16, 4)
inter adversa felicem : in tegenspoed gelukkig (Deze tegenstellingen zijn schijnbaar omdat ze niet opgaan voor een stoïsche wijze) (Sen. Ep. 41)
|