werkvertaling Herodotos pensum 2002

Herodotos Prooimion I, 0
Van het onderzoek van Herodotos uit Halikarnassos is dit het verslag, <geschreven> met de bedoeling dat de dingen die gebeurd zijn door toedoen van mensen niet mettertijd in vergetelheid raken, en <met de bedoeling dat> grote en bewonderenswaardige daden, deels door Grieken, deels door niet-Grieken verricht, niet roemloos worden, en vooral ook door welke oorzaak zij met elkaar in oorlog geraakt zijn.
Herodotos Gyges en Kandaules I, 8
Die Kandaules nu dus werd verliefd op zijn eigen vrouw, en omdat hij verliefd geworden was meende hij dat hij een vrouw had <die> de mooiste <was> van alle <vrouwen>, en omdat hij die mening had - tot zijn lijfwachten behoorde immers Gyges de zoon van Daskulos die bij hem het meest in de smaak viel - aan die Gyges legde Kandaulus ook de meer serieuze aangelegenheden voor en nu speciaal in dit geval dus ook de schoonheid van zijn vrouw terwijl hij die <schoonheid> bovenmate ophemelde. Na verloop van niet veel tijd - het moest nu eenmaal slecht aflopen met Kandaules - zei hij tegen Gyges ongeveer het volgende: "Gyges, ik ben immers van mening dat jij mij niet gelooft wanneer ik spreek over de schoonheid van mijn vrouw (want oren zijn nu eenmaal onbetrouwbaarder voor mensen dan ogen) moet je ervoor zorgen dat je haar naakt zult aanschouwen".
Maar hij zei na een luide schreeuw gegeven te hebben:"Meester, welk ongezond voorstel doet u, wanneer u mij beveelt mijn meesteres naakt te aanschouwen? Tegelijk met het uittrekken van haar onderkleed trekt een vrouw ook haar eerbaarheid mee uit. Al lang geleden zijn de de goede zeden voor/door mensen uitgevonden, waaruit men lering moet trekken: één onder hen is de volgende: dat iemand zich met zijn eigen zaken moet bemoeien. Ik geloof graag dat zij de mooiste is van alle vrouwen en ik vraag u geen onbehoorlijke dingen van mij te verlangen".
Herodotos Gyges en Kandaules I, 9
Hij (Gyges) nu probeerde door dergelijke dingen te zeggen te weigeren/eronderuit te komen, omdat hij bang was dat er iets kwaads voor hem daaruit ontstond. Maar hij (Kandaules) antwoordde met de volgende <woorden>: "Wees gerust, Gyges, en wees niet bang noch voor mij, alsof ik je op de proef stellend dit voorstel doe, noch voor mijn vrouw, <vrezend> dat er voor jou iets schadelijks zal ontstaan van haar kant: want ik zal het helemaal zo in elkaar zetten, dat zij zelfs niet merkt dat zij door jou gezien wordt/is. Want ik zal jou in het vertrek, waarin wij (gaan) slapen, opstellen achter de deur, die (gewoonlijk) geopend wordt, en na mijn binnenkomst zal ook mijn vrouw aanwezig zijn om te gaan slapen. Er staat dichtbij de ingang een zetel: daarop zal zij ieder van haar kledingstukken leggen, terwijl zij ze één voor één uittrekt en zij zal jou de gelegenheid verschaffen om in alle rust <haar> te aanschouwen. Maar wanneer zij van de zetel naar het bed zal gaan en jij achter haar rug gekomen bent, moet je ervoor zorgen dat je daar weg komt <en> dat zij jou niet door de deur(vleugels) zal zien weggaan.
Herodotos Gyges en Kandaules I, 10
Hij (Gyges) nu was natuurlijk, toen hij er niet aan kon ontkomen,<ertoe> bereid: en Kandaules bracht Gyges, toen het tijd scheen te zijn om te gaan slapen, het vertrek binnen, en daarna was direkt ook zijn vrouw daar: Gyges bekeek haar toen ze binnengekomen was en bezig was haar kleren neer te leggen. Toen hij achter haar rug (terechtgekomen) was, omdat de vrouw naar het bed ging, ging hij, na stiekem tevoorschijn gekomen te zijn, naar buiten. En <toch> ziet de vrouw hem naar buiten gaan. Hoewel ze dat, wat door toedoen van haar man gedaan was, doorzag, begon ze niet te schreeuwen omdat/hoewel ze te schande gemaakt was en ook wekte ze niet de indruk dat ze het doorhad, omdat ze van plan was zich te wreken op Kandaules. Want bij de Lydiërs , en ook bijna <altijd> bij de andere niet-Grieken, leidt zelfs het naakt gezien worden van een man tot grote schande.
Herodotos Gyges en Kandaules I, 11
Op dat moment hield zij, nadat zij op die manier niets had laten merken, zich rustig: maar zodra de dag was aangebroken liet zij, nadat zij van haar slaven diegenen, van wie ze zag dat ze haarzelf het meest trouw waren, voorbereid had, Gyges roepen. En hij, omdat hij meende dat zij niets van de dingen die gedaan waren wist, kwam toen/omdat hij geroepen werd; want ook eerder/voordien was hij gewoon geregeld te gaan/komen, telkens wanneer de koningen <hem> riep/ontbood. Maar toen Gyges aangekomen was, zei de vrouw het volgende: "Nu, Gyges, geef ik je , omdat er twee wegen voor jou mogelijk zijn, de keus, welke van de twee je wilt inslaan: ofwel heb je mij en het koningschap over de Lydiërs nadat je Kandaules gedood hebt, ofwel is het nodig dat jijzelf nu meteen sterft, opdat je voortaan niet, omdat je in alles Kandaules gehoorzaamt, dingen zult zien, die je niet moet/mag <zien>.Maar het is of nodig dat degene die die dingen beraamd heeft omkomt of jij, die mij naakt aanschouwd hebt en ongepaste dingen gedaan." (En) Gyges verwonderde zich lange tijd over de dingen die gezegd werden, daarna smeekte om hem niet te verplichten een dergelijke keus te doen. Hij overreedde haar dus natuurlijk niet, maar zag dat de noodzaak werkelijk voorlag ofwel zijn meester te doden, ofwel zelf door anderen omgebracht te worden: hij kiest zelf in leven te blijven.Hij vroeg dan met de volgende woorden: "Omdat u mij dwingt mijn meester te doden, terwijl/hoewel ik het niet wil, vooruit, laat mij dan te horen krijgen op welke manier dan wel wij hem zullen aanvallen." Het woord (over)genomend hebbend zei zij: "Vanuit precies dezelfde plek zal de aanval komen, vanwaar ook hij mij naakt ten toon stelde <uit eigen belang>, en de aanval op hem zal zijn terwijl hij slaapt.
Herodotos Gyges en Kandaules I, 12
Toen zij dan de aanslag voorbereid hadden, volgde hij, toen het nacht geworden was, de vrouw naar de slaapkamer (want Gyges kon er niet onderuit komen en er was ook geen enkele ontsnappings-mogelijkheid voor hem, nee (maar) het was noodzakelijk dat of hijzelf dood was of Kandaules). En nadat zij hem een dolk gegeven had, verborg zij hem achter dezelfde deur. En nadat hij (Gyges) daarna, toen Kandaules ging slapen, tevoorschijn gekomen was en hem (Kandaules) gedood had, kreeg Gyges zowel de de vrouw als het koningschap, (Gyges), van wie ook Archilochos van Paros, die in dezelfde tijd leefde, melding heeft gemaakt in een iambische trimeter (gedicht).
Herodotos Gyges en Kandaules I, 13
Hij kreeg het koningschap en werd (daarin) bevestigd door het orakel van Delphi. Want toen de Lydiërs natuurlijk hun ongenoegen kenbaar maakten over het lijden van Kandaules (dat wat K. overkomen was) en onder de wapenen waren, kwamen de volgelingen van Gyges en de overige Lydiërs overeen dat, als het orakel als antwoord zou geven dat hij koning van de Lydiërs was, hij koning was, maar zo niet, dat hij de heerschappij weer teruggaf aan de Herkliden.Het orakel gaf dan een antwoord met die strekking en zo werd Gyges koning. De Pythia zei echter met zoveel woorden dat voor de Herakliden de vergelding zou komen bij de vijfde afstammeling van Gyges. Met die uitspraak hielden de Lydiërs en hun koning geen enkele rekening, voordat hij dan in vervulling ging.
Herodotos Kroisos en Solon I, 30
Toen Solon dan dus precies vanwege die dingen en uit wetenschappelijke belangstelling uit zijn land weggegaan was, kwam hij in Egypte aan bij Amasis en speciaal dan ook in Lydië bij Kroisos. Nadat hij aangekomen was/ na zijn aankomst werd door Kroisos gastvrij onvangen in het paleis; daarna, op de derde of vierde dag, leidden, op bevel van Kroisos, dienaren Solon rond langs de schatkamers en toonden alle bezittingen in al hun grootheid en rijkdom. Nadat hij (Solon) dat alles aanschouwd en bekeken had, vroeg Kroisos, toen er een geschikt moment voor hem was, het volgende: ''Gast uit Athene, bij ons is namelijk veel informatie (aan)gekomen zowel over uw wijsheid als over uw rondreis, (namelijk) dat u, omdat u op zoek bent naar wijsheid/kennis, uit wetenschappelijke interesse veel land bereisd hebt; nu dan bekroop mij het verlangen u te vragen of u al iemand gezien heeft die het het gelukkigste is van allen. Hij (Kroisos) vroeg dat in de verwachting (omdat hij verwachtte) de gelukkigste van de mensen te zijn. Maar Solon, omdat hij helemaal niet vleide, maar zich aan de waarheid hield, zei: ''Koning, de Athener Tellos.'' Kroisos vroeg, omdat hij zich zeer verwonderde over het gezegde, in gespannen verwachting: "Hoezo dan meent u dat Tellos de gelukkigste is?" Hij zei: "Tellos had enerzijds, terwijl het zijn stad/vaderland goed ging, mooie en goede kinderen en hij zag bij hen allen kinderen geboren worden en allemaal in leven blijven, anderzijds viel hem, terwijl het leven goed voor hem verliep, naar onze maatstaven, een zeer mooi levenseinde ten deel: want toen er voor de Atheners een oorlog was/ontstond tegen hun naburen in Eleusis, stierf hij , nadat hij te hulp geschoten was en de vlucht van de vijanden tot stand gebracht had, op zeer mooie wijze, en de Atheners begroeven hem op staatskosten precies op de plaats waar hij gesneuveld was en eerden hem op grootse wijze.
Herodotos Kroisos en Solon I, 31
Toen Solon Kroisos met de geschiedenis van Tellos nieuwsgierig gemaakt had omdat hij vele en gelukkige dingen (over hem) verteld had, vroeg hij wie hij als tweede na die (Tellos) zag, in de mening/menend dat hij dan toch in elk geval op de tweede plaats zou komen. Maar hij (Solon) zei: "Kleobis en Biton. Want voor hen, die van geslacht Argivers waren, was voldoende levensonderhoud voorhanden en bovendien was hun lichaamskracht ongeveer zo: ze waren beide in gelijke mate topatleten en in het bijzonder wordt dan ook het volgende verhaal vertelt: toen er voor de Argivers een feest was voor Hera, was het absoluut noodzakelijk dat hun moeder met een ossenwagen naar de tempel gebracht werd, maar hun ossen waren niet op tijd vanaf het land aanwezig; Nadat de jongemannen, gedwongen door de tijd, onder het juk gegaan waren trokken zij zelf de wagen, en op de wagen liet hun moeder zich rijden en nadat zij (haar) 45 stadiën hadden vervoerd, bereikten zij het heiligdom. Hen viel, nadat zij dat gedaan hadden en door het hele feestvierende volk gezien waren, een zeer goed levenseinde ten deel, en in hen liet de godheid zien dat het voor een mens beter is dood te zijn, (eerder) dan te leven. Want de Argivers prezen, nadat ze rondom hen waren gaan staan, de kracht van de jongemannen gelukkig, maar de Argivische vrouwen (prezen) hun moeder, omdat ze zulke kinderen gekregen had, (gelukkig.) Hun moeder, die zeer verheugd was over hun daad en hun faam, bad, nadat ze tegenover het godenbeeld was gaan staan, dat de godin aan Kleobis en Biton, haar eigen kinderen, die haar op grootse wijze hadden geëerd, datgene zou geven, wat het beste is voor een mens (om) te krijgen. Na dat gebed, (en) toen ze geofferd en van het feestmaal genoten hadden en in de tempel zelf waren gaan slapen, stonden de jongemannen niet meer op, maar kregen dat levenseinde. Nadat de Argivers beelden van hen gemaakt hadden, richtten ze die in Delphi op, omdat ze naar hun mening zeer goede mannen waren.
Herodotos Kroisos en Solon I, 32

Solon deelde dus de tweede prijs in geluk aan hen toe, maar, boos geworden, Kroisos zei: "Vreemdeling uit Athene, is ons geluk door u zozeer tot niets gereduceerd, dat u ons zelfs niet op één lijn stelde met gewone mensen?" Maar hij zei: "Kroisos, terwijl ik weet dat het goddelijke geheel en al afgunstig en destructief is vraagt u mij over menselijke aangelegenheden. Want in de lange tijd (van het leven) is het mogelijk veel te zien, wat iemand niet wil (zien) en ook veel te lijden/ondergaan (wat men niet wil). Want ik stel de grens van het leven voor een mens op 70 jaar. Deze, (zijnde) 70 jaren, leveren 200 + 5000 + 20.000 dagen op, wanneer er geen schrikkelmaand komt: maar als dan het ene van de jaren met een maand langer wil worden, opdat dan de seizoenen samengaan/kloppen, omdat ze op de juiste tijd verschijnen, komen bij de 70 jaar de 35 schrikkelmaanden, dus 1050 dagen uit die maanden. Van al die dagen gezamenlijk voor 70 jaar, (zijnde) 50 + 200 + 6000 + 20.000, brengt de ene van hen absoluut niets hetzelfde als de andere. Zo dus, Kroisos, is de mens geheel en al een speelbal van het lot. Jij schijnt mij toe zowel zeer rijk te zijn als koning over veel mensen, maar dat, wat u mij vroeg, noem ik u nog niet, voordat ik vernomen heb dat u uw leven op mooie wijze beëindigd hebt. Want de zeer rijke is zeker niet meer gelukkiger dan degene die voor een dag genoeg heeft, als het lot hem niet toestaat het leven te beëindigen, terwijl hij alles goed heeft.Want vele steenrijke (van de ) mensen zijn ongelukkig, maar velen die bescheiden middelen/welstand hebben fortuinlijk/welvarend. De zeer rijke, ongelukkige dan steekt slechts op twee punten uit boven de fortuinlijke/welvarende, maar die op vele punten boven de zeer rijke en ongelukkige: de eerste is meer in staat zijn verlangen te bevredigen en een onheil dat hem overkomen is te verdragen, de laatste steekt boven hem uit in de volgende opzichten: hij is niet op gelijke wijze in staat als die om onheil en begeerte te weerstaan, maar die dingen houdt zijn goede lot /fortuinlijkheid bij hem weg, en hij is zonder gebrek, zonder ziekte, onervaren met/niet vatbaar voor ellende, gezegend met goede kinderen, knap van uiterlijk: als hij daarenboven nog zijn leven goed zal beëindigen, dan is hij de man die u zoekt, (namelijk) degene die het verdient gelukkig te heten: maar voordat hij gestorven zal zijn, moet men zich van een oordeel onthoudenen (iemand) nog niet gelukkig noemen, maar fortuinlijk/welvarend.

Het is onmogelijk dat een mens, als mens, al die dingen gezamenlijk tegelijk krijgt, precies zoals geen enkel land/gebied in alles zelfvoorziend is, door zichzelf alles te verschaffen, maar het ene heeft en aan het andere gebrek heeft: het (land), dat het meeste heeft, dat is het beste. Zo is ook geen één enkel lichaam van een (geheel) zelfvoorziend: want het ene heeft het, het andere mist het: maar hij met het meeste van die dingen (zijn) leven doorbrengt en vervolgens op gelukkige wijze het leven beëindigt, die heeft volgens mij het recht om die naam, o koning, te voeren/verwerven. Het is dus nodig om van elke zaak naar het einde te kijken, hoe het zal aflopen: Want nadat de god aan velen even geluk had laten zien, verdelgde hij (hen) met wortel en al."

Herodotos Kroisos en Solon I, 33

Terwijl hij dit zei/door dit te zeggen, deed hij Kroisos absoluut geen plezier, en hij (Kroisos) zond hem weg, zonder hem nog enige aandacht te schenken, omdat hij stellig meende dat hij (Solon) dom was, die hem, voorbijgaande aan alle aanwezige goede dingen, aanspoorde te kijken naar het einde van alle dingen/zaken.

Herodotos Atys en Adrastos I, 34

Na het vertrek van Solon kreeg een grote vergelding van godswege Kroisos in z'n greep, vermoedelijk omdat hij meende dat hijzelf de gelukkigste was van alle mensen. Meteen (daarna) toen hij sliep kwam een droom(beeld) bij hem staan, die/dat hem de waarheid toonde/openbaarde van de slechte dingen, die zouden gebeuren met betrekking tot zij zoon. Kroisos had twee zonen, van wie de één zwaar gehandicapt was, want hij was namelijk doofstom, maar de ander in alle opzichten verreweg de eerste van zijn leeftijdgenoten: zijn naam was Atys. Wat betreft die Atys maakt(e) de droom aan Kroisos duidelijk, dat hij hem zal(zou) verliezen, getroffen door een ijzeren speerpunt. Toen hij wakker geworden was en zichzelf rekenschap had gegeven, liet hij, omdat hij bang geworden was voor de droom, zijn zoon trouwen met een vrouw en hoewel hij (z'n zoon) gewoon was aanvoerder te zijn van de Lydiërs zond hij hem helemaal niet meer uit voor een dergelijke aangelegenheid, werpspiezen, kleine speren en al de dergelijke dingen, die mensen gebruiken voor een oorlog sloeg hij op in de wapenkamer, nadat hij ze uit de mannenzaal had gehaald, om te verhinderen dat een (bij hem) hangend wapen op z'n zoon zou vallen.

Herodotos Atys en Adrastos I, 35

Terwijl zijn zoon bezig is met het huwelijk, komt er in Sardes een man aan, gebukt gaande onder een ongeluk en niet gezuiverd wat zijn handen betreft, hij was door geboorte Phrygiër en van koninklijk geslacht. Toen hij in het paleis van Kroisos gekomen was, vroeg hij om een reiniging te verkrijgen overeenkomstig/volgens de inheemse gebruiken/wetten, en Kroisos reinigde hem. De reiniging is ongeveer gelijk voor de Lydiërs en de Grieken. Toen Kroisos de gebruikelijke rituelen verricht had, informeerde hij vanwaar en wie hij was met de volgende woorden: "Mens/Meneer, wie zijnde en vanwaar uit Phrygië gekomen, bent u hier als smekeling (terechtgekomen)? Wie van de mannen of vrouwen hebt u gedood?" Hij antwoordde: "Koning, ik ben een zoon van Gordias de zoon van Midas, ik word Adrastus genoemd, en omdat ik zonder het willen mijn eigen broer gedood heb ben ik hier, verdreven door mijn vader en beroofd van alles." Kroisos antwoordde hem met deze woorden: "Het treft/komt zo uit dat u een nakomeling bent van bevriende mannen en u bent bij vrienden gekomen, waar je aan geen enkel zaak gebrek zult hebben, wanneer u in mijn paleis blijft. U zult het meeste profijt hebben, wanneer u dat ongeluk van u zo licht mogelijk opneemt.

Herodotos I, 36

Hij verbleef dan in het paleis van Kroisos, en in diezelfde tijd komt op de Mysische Olympos een kanjer van een zwijn voor; dat (zwijn) vernietigde telkens/steeds, wanneer het van die berg kwam, de landerijen van de Mysiërs, en hoewel de Mysiërs dikwijls tegen hem te velde trokken, konden ze het telkens geen enkel kwaad berokkenen, maar bleven eronder lijden. Toen tenslotte boden van de Mysiërs bij Kroisos gekomen waren, zeiden ze het volgende: "Koning, een zeer grote kanjer van een zwijn is bij ons opgedoken in ons land, dat de landerijen verwoest. Hoewel we ons best doen het te vangen, kunnen wij het niet. Nu dus verzoeken wij u om uw zoon en uitgelezen jongemannen en honden met ons mee te sturen, om het uit ons land uit te roeien." Zij dan vroegen die dingen, maar Kroisos, die zich de woorden van de droom herinnerde, zei tegen hen het volgende: " Van mijn zoon moeten jullie geen melding meer maken: want ik kan hem niet met jullie mee sturen: want hij is pasgetrouwd en bekommert zich nu daar om. Van de Lydiërs echter zal ik uitgelezen jongemmannen en de hele meute jachthonden meesturen en ik zal aan hen die (mee)gaan opdragen om zo bereidwillig mogelijk te zijn samen met jullie het dier uit jullie land uit te roeien."

Herodotos Atys en Adrastos I, 37

Dat antwoordde hij. Terwijl de Mysiërs daarmee tevreden zijn, komt de zoon van Kroisos naar hem toe, omdat hij gehoord heeft waar de Mysiërs om vroegen. Omdat Kroisos verbood z'n zoon met hen mee te zenden, zegt de jongeman hetvolgende tegen hem: "Vader, vroeger was eens het mooiste en edelste voor ons dat wij een goede naam hadden omdat wij geregeld uitgingen op oorlog en jacht. Maar nu hebt/houdt u mij afgesloten van die beide zaken, zonder bij mij enige lafheid of gebrek aan moed gezien te hebben. Met wat voor ogen/gezicht moet ik me nu vertonen, wanneer ik naar de markt/agora ga en er weer vandaan ga? Wat voor iemand zal ik aan de burgers toeschijnen te zijn, en wat voor iemand aan mijn pasgetrouwde vrouw? Met wat voor een man zal zij menen samen te wonen? Dus moet u ofwel mij toestaan op de jacht te gaan of mij met een (logische) verklaring overtuigen dat het voor mij het beste is dat die dingen zo gedaan worden.

Herodotos Atys en Adrastos I, 38
Kroisos antwoordt met dez woorden: "Zoon/Kind, ik doe dingen niet omdat ik bij jou lafheid of ook maar iets anders onaangenaams gezien/bespeurd heb, maar een droomgezicht, nadat het in mijn slaap bij mij was komen staan, zei dat jij kortlevend zou zijn, want dat je door een ijzeren speerpunt zou omkomen.Met het oog dus op dat droomgezicht heb ik haast gemaakt met dat huwelijk voor jou en zend ik je niet uit op de gebruikelijke ondernemingen, omdat ik ervoor waak/er oplettend op ben of ik je tijdens mijn leven op de een of andere manier (ongemerkt) wat langer in leven kan houden/ nog een tijdje aan de dood kan ontfutselen. Want jij bent nu eenmaal voor mij mijn enige zoon: want ik oordeel dat die andere natuurlijk, omdat hij doofstom is, voor mij niet bestaat/ik die niet heb.
Herodotos Atys en Adrastos I, 39

De jongeman antwoordde met de volgende woorden: "Het is u te vergeven, vader, dat u, omdat u dat droomgezicht gezien hebt, waakzaam omtrent mij bent: maar wat u niet begrijpt, maar (waarin) het droomgezicht u ontgaat, (daarvan) is het terecht dat ik het u uitleg. U zegt dat het droomgezicht tegen u zei dat ik zou sterven door een ijzeren speerpunt. Hoe(danig) zijn de handen van een zwijn? Hoe(danig) is een ijzeren speerpunt, waarvoor u bang bent? Want als het (droomgezicht) tegen u gezegd had dat ik zou sterven door een tand of iets anders, wat daarop lijkt, (dan) is het inderdaad nodig dat u doet, wat u doet: maar nu (zei het droomgezicht) door een speerpunt. Omdat de strijd voor ons dus niet gaat tegen mannen, moet u mij laten gaan.

Herodotos Atys en Adrastos I, 40

Kroisos antwoordt: "Zoon/Kind, dit is (een manier), waarop jij mij overtuigt/overwint door je mening te openbaren over het droomgezicht: omdat ik dus door jou overtuigd/overwonnen ben, vernader ik van mening en sta ik toe dat jij op de jacht gaat."

Herodotos Atys en Adrastos I, 41

Wanneer hij dat gezegd heeft, ontbiedt Kroisos de Phrygër Adrastos, wanneer hij gekomen is, zegt hij het volgende tegen hem: "Adrastos, ik heb jou, toen je getroffen was door een onaangenaam ongeluk, dat ik jou niet verwijt, gereinigd en ik heb je in mijn paleis opgenomen, terwijl ik je een compleet levensonderhoud verschaf; nu dus moet je mij beantwoorden met goede diensten, want dat ben je aan mij verschuldigd omdat ik jou goede diensten bewezen heb, ik verzoek jou de bewaker te worden van mijn zoon, wanneer hij op jacht uitgaat, om ervoor te zorgen dat onderweg geen kwaadaardige rovers voor jullie opduiken om kwaad te berokkenen. Bovendien is het ook voor jou ook nodig dat je (daarheen) gaat, waar je kunt uitblinken door je daden: want dat ben je aan je afkomst verplicht en bovendien is de kracht (ervoor) voorhanden."

Herodotos Atys en Adrastos I, 42

Adrastos antwoordt: "Koning, in andere omstandigheden zou ik niet op een dergelijke onderneming uit gaan; want het is niet vanzelfsprekend dat ik die in dergelijke ongelukkige omstandigheden verkeer ga naar leeftijdgenoten, die het goed maken/gaat, noch is de wil/het willen aanwezig en ik zou mezelf op vele manieren ertegen verzetten/inhouden. Maar nu, omdat u erop aandringt en het nodig is u terwille te zijn ( want ik ben u verschuldigd met goede diensten terug te betalen ), ben ik bereid die dingen te doen en kunt/moet u verwachten dat uw zoon, die u mij beveelt te bewaken, behouden bij u terug zal keren, voorzover het van zijn bewaker afhangt."

Herodotos Atys en Adrastos I, 43

Toen met dergelijke woorden Kroisos geantwoord had, gingen ze daarna (op pad), toegerust met uitgelezen jongemannen en honden. Toen ze aangekomen waren bij de berg Olympos zochten ze het wilde beest. nadat ze het gevonden handen en er in een kring oheen waren gaan staan, wierpen ze hun speren ernaar. Toen dan daar/bij die gelegenheid de vreemdeling, die man dus die gereinigd was van de doodslag, en Adrastos werd genoemd, z'n speer wierp naar het zwijn, miste hij dat (zwijn), maar trof toevallig de zoon van Kroisos. Hij dan deed omdat hij getroffen was door een speerpunt de voorspelling van de droom in vervulling gaan, (en) iemand rende (weg) on het gebeurde aan Kroisos te berichten, en toen hij in Sardes aangekomen was, berichtte hij aan hem over de strijd en het doodslot/de dood van zijn zoon.

Herodotos Atys en Adrastos I, 44

Kroisos, totaal van zijn stuk gebracht/overstuur door de dood van zijn zoon, vond het nog erger, dat diegene hem gedood had, die hijzelf van doodslag gereinigd had. Vreselijk verbolgen/verbitterd over het ongeluk, riep hij Zeus beschermer van de rituele reiniging, aan terwijl hij hem als getuige aanriep van de dingen die hij door toedoen van de vreemdeling geleden had en hij riep diezelfde god met name noemend aan als beschermer van de haard en als beschermer van de vriedschap, hem aanroepend als beschermer van de haard, omdat het hem ontging dat hij, toen hij de vreemdeling in zijn paleis opgenomen had, de moordenaar van zijn zoon voedde/in leven hield, en als beschermer van de vriendschap, omdat hij hem, toen hij hem meegezonden had als bewaker, als de grootste vijand /meest vijandig bevonden/ontdekt had.

Herodotos Atys en Adrastos I, 45

Daarna verschenen/waren aanwezig de Lydiërs met (lett. dragende) het lijk en daarachter volgde de moordenaar. Hij gaf, nadat hij voor het lijk was gaan staan, zichzelf aan Kroisos over terwijl hij zijn handen naar voren uitstak en hem (Kroisos) verzocht hem bij het lijk te doden, terwijl hij sprak over zijn eigen vroegere ongeluk noemde en hoe hij daarbij nog de man die hem gereinigd had in het ongeluk had gestort en dat er voor hem niet verder te leven was. Wanneer Kroisos die dingen gehoord heeft, hefft hij medelijden met Adrastos, hoewel hij in zo'n groot eigen/persoonlijk ongeluk verkeert, en zegt tegen hem: "Ik heb, vreemdeling, van uw kant alle/volledige genoegdoening, omdat u zichzelf ter dood veroordeelt. U bent voor mij niet schuldig aan dit ongeluk, behalve voorzover u het zonder het te willen hebt bewerkstelligd, maar één van de goden, dunkt me, die mij ook vroeger al de dingen voorspelde, die zouden zijn/gebeuren." Nu begroef Kroisos, zoals logisch/begrijpelijk was, zijn eigen zoon; maar Adrastos de zoon van Gordias de zoon van Midas, hij dan, die moordenaar (geworden) was van zijn eigen broer en de moordenaar van hem die hem gereinigd had, heeft, toen er rust van mensen rond het graf(teken) ontstaan was, zichzelf bij het graf gedood, omdat hij inzag dat hij de zaarstgetroffene was van de mensen van wie hijzelf (af)wist.

Herodotos Kroisos en Kyros I, 86

De Perzen hadden dus Sardes in bezit gekregen en Kroisos zelf levend gevangen genomen, nadat hij veertien jaar geregeerd had en veertien dagen belegerd was, en overeenkomstig het orakel een eind gemaakt had aan zijn eigen grote rijk. Nadat ze hem gevangen genomen hadden, brachten de Perzen hem naar Kyros. Deze deed, nadat hij een grote brandstapel opgebouwd had, Kroisos, die in voetboeien geslagen was, erop gaan en tweemaal zeven zonen van de Lydiërs naast hem, van plan zijnde/met de bedoeling hetzij om dat dan als beste van de oorlogsbuit aan een van de goden, wie dan ook, te wijden, hetzij ook omdat hij een gelofte wilde inlossen, hetzij ook dat hij, omdat hij vernomen had dat Kroisos godsvruchtig was, om de volgende reden op de brandstapel deed gaan: omdat hij wilde weten of een van de godheden hem zou beschermen tegen/redden van het levend verbrand worden. (De rest van dit hoofdstuk staat in de a.c.i !) Dat hij (Kyros) dat deed, maar dat bij Kroisos toen hij op de brandstapel opkwam, hoewel hij in zo'n benarde situatie was, de uitspraak van Solon, namelijk dat die hem van godswege tegen hem gezegd was: het feit dat "niemand van de levenden gelukkig is". En dat hij, toen die uitspraak hem voor de geest gekomen was, nadat hij een diepe zucht geslaakt had en na een lange stilte luid gejammerd had tot driemaal toe de naam "Solon" riep.
En dat Kyros, toen hij dat gehoord had, zij tolken beval Kroisos te vragen wie hij daar aariep, en dat zij, na naar hem totgegaan te zijn, het vroegen. Maar dat Kroisos, toen het hem gevraagd was, lange tijd het zwijgen hield/bewaarde, maar dat hij daarna, toen hij gedwongen werd, zei: "De man die ik voor alle tyrannen een groot vermogen waard achtte om een gesprek mee te hebben." Dat zij, toen hij voor hen onduidelijke taal sprak, opnieuw vroegen wat er gezegd werd. Dat hij, toen zij aandrongen en hem onder druk zetten, dus vertelde hoe vroeger eens Solon, die een Athener was, gekomen was en hoe deze na heel zijn eigen rijkdom aanschouwd te hebben die als waardeloos had beschouwd (wat het dan ook was, wat hij gezegd had), en hoe voor hem alles was verlopen, precies zoals die hem verteld had, terwijl hij (Solon) niet zozeer gericht op hemzelf (Kroisos) sprak, als wel gericht op het hele mensdom en in het bijzonder op degenen, die in hun eigen ogen gelukkig schijnen te zijn. Dat Kroisos dat vertelde, en dat van de brandstapel die reeds aangstoken was de uiterste randen in brand stonden. En dat Kyros, omdat hij, toen hij van de tolken gehoord had wat Kroisos gezegd had, van gedachten veranderde en omdat hij tot het besef kwam dat hij, terwijl hij ook zelf een mens was, een ander mens, die niet de mindere van hemzelf was geweest in voorspoed, levend aan het vuur (prijs) wou geven, omdat hij bovendien de vergelding vreesde en overwoog hoe niets van de menselijke zaken zeker is, (dat Kyros) beeval zo snel mogelijk het brandende vuur te blussen en Kroisos en degenen met Kroisos te doen afdalen. En dat zij, toen ze probeerden (dat te doen), het vuur niet meer meester konden worden.

Herodotos Kroisos en Kyros I, 87

Er wordt door de Lydiërs verteld dat Kroisos toen, omdat hij de verandering van gedachte van Kyros bemerkt had (en) toen hij zag dat iedere man het vuur probeerde te blussen, maar dat zij het niet meester konden worden, Apollo aanriep hem te hulp roepend om, indien hij (Apollo) enigszins naar tevredenheid geschenken van hem (Kroisos) ontvangen had, (hem) bij te staan en hem te redden uit het aanwezige kwaad. Dat hij huilend de god te hulp riep en dat uit een heldere hemel en windstilte plotseling wolken samentrokken en een storm losbarstte en dat begon te regenen met een stortbui van water en dat de brandstapel geblust werd. Dat Kyros nadat hij zo dan begrepen had dat Kroisos zowel bij de geliefd was als een goed man, hem, nadat hij hem van de brandstapel had doen gaan, het volgende vroeg: ''Kroisos, wie van de mensen heeft jou overgehaald om, door tegen mijn land op te trekken, een vijand in plaats van een vriend voor mij te worden?" Hij zei: "Koning, ik heb dat gedaan tot uw geluk, maar tot mijn eigen ongeluk; verantwoordelijk daarvoor was/ is geweest de god van de Grieken, omdat hij mij ertoe aangezet heeft op te trekken. Want niemand is zo dwaas dat hij oorlog verkiest boven vrede: want in vredestijd begraven dekinderen hun vaders, maar in oorlogstijd de vaders hun kinderen. Maar dat dat zo gebeurde, was dunkt me welgevalling aan een godheid.

Herodotos Kroisos en Kyros I, 88

Hij zei die dingen, Kyros deed hem, nadat hij hem losgemaakt had, vlakbij zichzelf zitten en behandelde hem met zeer veel zorg, en bewonderde hem zeer toen hij hem zag, zowel hij zelf als allen die rondom waren. Maar hij was, in gepeins verzonken, stil. Daarna, toen hij zich omgedraaid had en zag dat de Perzen de stad van de Lydiërs verwoestten, zei hij: "Koning, is het nodig dat ik tegen u de dingen zeg, die ik (toevallig) in gedachten heb of dat ik zwijg in de gegeven omstandigheden?" Kyros beval hem gerust te zeggen wat hij maar wilde. Hij vroeg hem zeggende: "Die grote menigte, wat is die daar met grote inspanning/ijver aan het doen?" Hij zei: "Hij plundert uw stad en rooft uw bezittingen." Kroisos antwoordde: "Noch mijn stad noch mijn bezittingen plundert hij: want ik bezit niets meer van die dingen; nee/maar zij nemen en slepen de uwe mee."

Xerxes en Artabanos (1) VII,12

Die dingen werden tot zover gezegd, daarna werd het nacht en de mening van Artabanos zat Xerxes dwars: toen hij er een nachtje over sliep vond hij dat het voor hem geen (nood)zaak was tegen Griekenland te velde te trekken. Toen die dingen door hem opnieuw besloten waren, viel hij in een diepe slaap. En dan, naar het schijnt, zag hij in de nacht een droomgezicht, ongeveer alsvolg, zoals gezegd wordt door de Perzen: Xerxes meende/droomde dat een mooie en knappe man, nadat hij bij hem was gaan staan, zei: "U verandert dus, Pers, van mening om niet een leger te leiden tegen/naar Griekenland, hoewel u aan de Perzen openlijk bekend gemaakt hebt een leger bijeen te brengen? Noch handel je dus goed door van mening te veranderen, noch is er iemand aanwezig die begrip zal tonen voor u: maar/nee zoals je overdag besloten hebt te doen, ga/vervolg die van de wegen/die weg." Xerxes meende/droomde dat hij nadat hij dat gezegd had, wegvloog.

Xerxes en Artabanos (1) VII,13

Toen de dag aangebroken was hield hij geen enkele rekening met die droom, maar hij zei, nadat hij van de Perzen degenen, die hij ook eerder bijeengeroepen had, bijeengebracht had, tegen hen het volgende: "Mannen/heren Perzen, hebt begrip voor mij, dat ik zo snel van besluit verander; want ik ben nog niet tot de volle wasdom/ontwikkeling van mijn verstand gekomen en bovendien laten degenen, die mij aanraden dat te doen, geen moment met rust. Toen ik echter de mening van Artabanos gehoord had, speelde onmiddellik mijn jeugd mij parten, zodat ik ongepastere woorden dan nodig naar het hoofd slingerde van een oudere man: omdat ik nu echter tot inkeer gekomen ben, zal ik zijn mening volgen. Omdat ik dus tot een ander besluit gekomen ben, (namelijk) om niet tegen Griekenland te velde te trekken, moet u zich rustig houden." Toen de Perzen dat gehoord hadden, deden zij verheugd een knieval.

Xerxes en Artabanos (1) VII,14

Toen het nacht geworden was, zei dezelfde droom opnieuw, nadat hij bij hem was komen staan, tegen Xerxes, toen hij in een diepe slaap was: "Zoon van Dareios, blijkt u dan heus temidden van de Perzen de veldtocht afgezegd te hebben en totaal geen rekening gehouden te hebben met mijn woorden, alsof u ze van een niemand/een man van geen betekenis gehoord had? Weet nu goed het volgende, als u niet werkelijk onmiddellijk een veldtocht zult houden, zal het volgende daaruit voor u ontstaan: zoals u ook groot en machtig werd/bent geworden in korte tijd, zo zult u ook wederom snel klein zijn."

Xerxes en Artabanos (1) VII,17

Nadat hij zoveel gezegd had, deed Artabanos, hopend/verwachtend te zullen aantonen dat Xerxes ongelijk had, wat hem bevolen werd: toen hij de kleding van Xerxes aangetrokken had en op de koninklijke troon ging zitten, kwam, toen hij daarna sliep, dezelfde droom bij hem, toen hij in een diepe slaap was, (dezelfde droon)die ook telkens bij kwam, en toen aan het hoofdeinde van Artabanos was gaan staan zei hij het volgende: "U bent dus die man die probeert Xerxes er vanaf te houden tegen Griekenland te velde te trekken, zogenaamd natuurlijk omdat u bezorgd om hem bent? Maar noch in de toekomst, noch op dit moment zult u ongestraft blijven, wanneer afwendt dat wat nodig is te gebeuren. De dingen die Xerxes moet ondergaan, omdat hij ongehoorzaam is, zijn aan hemzelf duidelijk gemaakt."

Xerxes en Artabanos (1) VII,19

Toen Xerxes begonnen was om een veldtocht voor te bereiden, kwam daarna een derde droom in zijn slaap, die de magiërs, nadat ze hem gehoord hadden, uitlegden dat hij betrekking had op de hele aarde en dat alle mensen voor hem/zijn slaf zouden zijn. Het droomgezicht was het volgende: Xerxes droomde dat hij bekranst was met een tak vol bladeren van een olijfboom, en dat de takken vanuit de olijfboom de helke aarde bedekten, maar dat daarna de krans die om zijn hoofd lag verdwenen was. Omdat de magiërs hem zo uitgelegd hadden, ging (eigenlijk ptcp!) iedere man van de Perzen, die verzameld waren meteen op reis naar zijn eigen gebied en was vol enthousiasme om de gegeven bevelen uit te voeren, omdat ieder zelf de in het vooruitzicht gestelde geschenken wilde (ver)krijgen, en zo bracht Xerxes zijn leger bijeen, heel het gebied van het vasteland afstruinend/onderzoekend.

Xerxes en Artabanos (2) VII,44

Toen zij in Abydos aangekomen waren, wilde Xerxes heel zijn leger zien. En - er was namelijk namelijk van te voren voor hem expres daar een zetel van marmer gemaakt (de inwoners van Abydos hadden die gemaakt, nadat de koning dat eerder bevolen had)- toen hij daar zat aanschouwde hij, naar beneden kijkend naar het strand,zowel het leger te voet als de schepen, en toen hij dat aanschouwde bekroop hem het verlangen een wedstrijd tussen de te zien gebeuren. Toen die plaatsvond en de Phoinikiërs uit Sidon overwonnen, verheugde hij zich over de wedstrijd en het leger.

Xerxes en Artabanos (2) VII,45

Toen hij heel de Hellespont bedekt zag door de schepen, en alle kusten en de vlaktes van de inwoners van Abydos geheel vol met mensen, toen prees Xerxes zichzelf gelukkig, maar barstte daarna in tranen uit.

Xerxes en Artabanos (2) VII,46

Toen Artabanos hem bemerkte, zijn oom (A.) die aanvankelijk vrijmoedig zijn mening te kennen had gegeven, toen hij Xerxes aanraadde niet tegen Griekenland te velde te trekken, toen die man bemerkt had dat Xerxes weende vroeg hij het volgende: " Koning, wat heeft u sterk van elkaar verschillende dingen gedaan, nu en even tevoren: want nadat u zichzelf gelukkig had geprezen huilt u." En hij zei: "Inderdaad, het kwam bij me op om medelijden te krijgen, toen ik overwogen had hoe kort elk menselijk leven is, aangezien van die (mensen) daar, zovelen als het er zijn, niemand over honderd jaar nog in leven zal zijn."En hij antwoordde, zeggende: "Gedurende ons leven hebben wel andere, ergere, dingen ondervonden. Want in een zo kort leven is niemand, mens als hij is, van nature zo gelukkig, noch van die mensen daar noch van de anderen, dat het hem niet dikwijls en niet eenmaal zal overkomen om liever dood te willen zijn dan te leven. Want de ongelukken die (hem) overkomen en de ziektes die (hem) in verwarring brengen, maken dat het leven, hoe kort het ook is, lang lijkt te zijn. Zo komt het dat de dood, als het ellendig is, voor de mens tot een meest verkieslijke toevlucht is geworden, en de god blijkt, na (de mens) even aan de zoetheid van het leven te hebben laten proeven, daarbij jaloers te zijn."

Xerxes en Artabanos (2) VII,47

Xerxes antwoordde zeggende: "Artabanos, laten we nu over het menselijke leven, dat (precies) zo(danig) is, als u beweert te zijn/dat het is, ophouden te spreken, en laten we ons geen slechte dingen in herinnering brengen. nu we nuttige dingen onder handen hebben. Maar vertel mij het volgende: als het droomgezicht niet zo duidelijk aan u verschenen was, zou u dan uw oude mening houden, mij niet toestaande te velde te trekken tegen Griekenland, of zou u van mening veranderd zijn? Vooruit zeg mij dat eerlijk" De ander antwooordde zeggende: "Koning moge het droomgezicht, dat verschenen is, aflopen zoals wij allebei willen. Ook/zelfs tot op dit moment ben ik nog vervuld van van angst en buiten mezelf, omdat ik vele andere dingen overweeg maar in het bijzonder ook, omdat ik zie dat de twee belangrijkste zaken van alle uiterst vijandig voor zijn."

Xerxes en Artabanos (2) VII,48

Xerxes antwoordde daarop met de volgende woorden: "Wonderlijke man, wat voor twee bedoel je (daarmee) uiterst vijandig te zijn voor mij? Is soms het landleger voor u onvoldoende in omvang en lijkt (u) het Griekse leger vele malen groter te zullen zijn dan het onze, of (lijkt) onze vloot achter te blijven bij die van hen, of zelfs dit allebei? Als namelijk in dit opzicht onze legermacht u toeschijnt tekort te schieten, dan kan men zo snel mogelijk nog een ander leger op de been brengen.

Xerxes en Artabanos (2) VII,49

De ander antwoordde zeggende: "Koning, noch op dat leger daar kan iemand die tenminste verstand heeft, kritiek hebben noch op de hoeveelheid van de schepen. En als u er meer bijeenbrengt, worden de twee factoren die ik bedoel nog veel vijandiger voor u. Die twee factoren zijn land en zee. Want aan de ene kant is er op zee nergens een zo grote haven, naar ik vermoed, dat die, wanneer er een storm opsteekt, in staat zal zijn om door die vloot van u op te nemen de schepen te behouden. En daarbij moet u wel bedenken dat er niet één [haven] moet zijn, maar langs heel het vasteland waarlangs u toch optrekt. Aangezien er dus duidelijk niet gastvrije havens voor u zijn, moet u inzien dat de omstandigheden de baas zijn over de mensen en niet de mensen over de omstandigheden. En nu dus één van de twee (factoren) u gezegd is, ga ik de tweede vertellen. Land is voor u duidelijk in dit opzicht vijandig: als zich geen enkele weerstand tegen u zal voordoen, wordt (land) des te vijandiger voor u naarmate u verder voortgaat, doordat u steeds verder wordt gelokt. Voor mensen is er namelijk geen enkele verzadiging van voorspoed. En inderdaad zeg ik dat voor u, ervan uitgaande dat niets tegenstand biedt, het land, omdat het naarmate er meer tijd verstrijkt steeds meer wordt, honger(snood) zal voortbrengen. Een man zal als volgt het beste zijn, als hij voorzichtig is wanneer hij overlegt, door te overwegen (dat het mogelijk is) alles te zullen ondergaan, maar metterdaad vol zelfvertrouwen is."

Xerxes en Artabanos (2) VII,50

Xerxes antwoordt met de volgende woorden: "Artabanos, terecht analyseert u ieder van die punten, maar u moet niet voor alles bang zijn en niet alles zonder onderscheid overwegen. Want als je inderdaad bij iedere mogelijkheid die zich voordoet echt alles zonder onderscheid zou willen overwegen, dan zou je helemaal niets doen. Het is beter om vol vertrouwen in alles (de) helft van de gevaren te ondergaan liever dan uit angst van te voren voor elke (mogelijke) zaak helemaal niets te doen. En als je kritiek hebbend op ieder voorstel, niet het volkomen zekere zult/kunt aanwijzen, dan moet je je wel vergissen in je kritiek op dezelfde manier als degene die het tegenovergestelde heeft beweerd. Dat nu houdt elkaar in evenwicht; maar hoe moet je, mens als je bent, het volkomen zekere weten? Dat is onmogelijk, denk ik. Maar u moet wel weten dat in het algemeen de voordelen zich plegen voor te doen voor degenen die willen handelen, en dat voor degenen die alles overwegen en aarzelen (zich) niet erg veel (voordelen) zullen (voordoen). U ziet wat betreft het rijk van de Perzen, tot welk een macht dat zich ontwikkeld heeft. Welnu, als diegenen die vóór mij koning zijn geweest, dezelfde meningen hadden gehad als u, of als ze, zonder dergelijke meningen te hebben, anderen als adviseurs van dien aard hadden gehad, dan zou u het zich nooit tot deze omvang hebben zien ontwikkelen. Maar nu hebben zij door gevaren te riskeren het tot deze omvang gebracht. Want grote dingen plegen onder grote risico's tot stand gebracht te worden. Welnu, wij, ons spiegelend aan hen, trekken op gedurende het mooiste seizoen van het jaar én na heel Europa onderworpen te hebben zullen wij weer naar huis terugkeren, zonder óf ergens honger(snood) ontmoet te hebben, óf iets anders onaangenaams ondergaan te hebben. Want enerzijds trekken wij op met/meenemend veel voedsel, en anderzijds zullen wij het voedsel hebben van diegenen, wier land en volk wij waar dan ook doortrekken; wij ondernemen een veldtocht tegen landbouwers en niet tegen nomaden."

Xerxes en Artabanos (2) VII,51

Artabanos zegt daarna: "Koning, aangezien u niet toestaat voor enige aangelegenheid bang te zijn, moet u van uw kant mijn advies aannemen. Het is namelijk noodzakelijk om over vele aangelegenheden langer uit te weiden. Kyros, de zoon van Kambyses, heeft Ionië helemaal/geheel Ionië behalve Athene onderworpen om schatplichtig te zijn aan de Perzen. Ik nu adviseer u om die mannen onder geen beding tegen hun vaders te leiden. Ook zonder hen zijn wij namelijk in staat om de vijanden de baas te worden. Want het is onvermijdelijk dat zij óf, als zij meegaan, zich uiterst onrechtvaardig gedragen omdat zij hun moederstad te onderwerpen, óf uiterst rechtvaardig omdat ze (hen) helpen te bevrijden. Als zij nu zich uiterst onrechtvaardig gedragen, voegen zij geen enkel groot voordeel aan ons toe, maar als zij zich uiterst rechtvaardig gedragen, zijn/worden zij in staat uw leger in hoge mate schade te berokkenen. Neemt u dus ook ter harte van/wat betreft het oude spreekwoord, hoe juist het gezegd is, nl. dat niet tegelijk bij het begin elk einde duidelijk is."

Xerxes en Artabanos (2) VII,52

Xerxes antwoordt daarop: "Artabanos, van de meningen die u hebt uiteengezet, vergist u zich duidelijk het meest in die (mening)/op dat punt, u die/omdat u wat betreft de Ioniërs bang bent dat ze van loyaliteit zullen veranderen, (de Ioniërs) van wie wij een zeer belangrijk bewijs (van betrouwbaarheid) hebben, van wie u getuige bent en ook de anderen die samen met Dareios een veldtocht ondernomen hebben tegen de Skythen, (het bewijs namelijk) dat van hen (de Ioniërs) het gehele Perzische leger afhing, nl. om het te vernietigen of te redden/nl. of het vernietigd of gered zou worden. En zij hebben rechtvaardigheid en trouw betoond, geen enkel kwaad. Afgezien daarvan, aangezien zij in ons gebied kinderen en vrouwen en bezittingen achterlaten, is het niet nodig om ook maar te overwegen dat zij een opstand zullen plegen. Zo bezien moet u dus daar absoluut niet bang voor zijn, maar u moet met/hebbend goede moed passen op mijn huis(houden) en mijn heerschappij. Aan u namelijk als enige van allen vertrouw ik mijn koninklijke macht toe."