werkvertaling Homeros pensum 2003
Homeros Odyssee Prooimion I,
1 -10
|
Toelichting: Bij de werkvertaling heb ik zo letterlijk
mogelijk vertaald, bovendien heb ik zoveel mogelijk geprobeerd de woorden
die de nadruk hebben door hun plaatsing (vooraan of achteraan een vers)
op die plaats te laten staan, om zo het effect, dat Homeros beoogde, ook
in het Nederlands uit te laten komen, ook al leverde dit wat krom Nederlands
op.
|
|
5 10 |
De man bezing mij, Muze, de vindingrijke, die
zeer veel gezworven heeft, nadat hij de heilige burcht van Troje verwoest had: van veel mensen heeft hij de steden gezien en de gezindheid leren kennen, en veel smarten heeft hij geleden op zee in zijn hart, zich inspannend voor (het behoud van) zijn eigen leven en de terugkeer van zijn makkers, maar toch niet redde hij zijn makkers, hoewel hij ernaar streefde: want door hun eigen roekeloze daden kwamen zij om, de dwazen, die de runderen van Hyperion Helios opaten: en hij ontnam hen (dus) de dag der terugkeer. Over die dingen, vertel, vanaf een of ander punt, godin, dochter van Zeus, ook ons. |
de Lotoseters Homeros Odyssee IX, 82 -104
|
85 90 95 100 |
Vandaar werd ik negen dagen lang meegevoerd door
de verderfelijke winden de visrijke zee op: maar op de tiende dag betraden wij het land van de Lotoseters, die voedsel bestaande uit bloemen eten. Daar (dus) gingen wij het land op en putten er water, en snel gebruikten zij de maaltijd bij de snelle schepen, de makkers, En toen zij het voedsel genuttigd hadden en het drinken, toen dan stuurde ik makkers erop uit om gaande na te vorsen/uit te zoeken, welke voedsel etende mensen er in het land waren, twee mannen had ik (hiervoor) uitgekozen en een heraut als derde meegegeven. Terwijl zij snel gingen, mengden zij zich onder de (mannen) Lotoseters: en natuurlijk beraamden de Lotoseters niet de ondergang voor de makkers van mij/ons, maar zij gaven het /stonden toe aan hen van de lotos te proeven. Ieder van hen die van de lotos de honingzoete vrucht gegeten had, wilde niet meer terug verslag uitbrengen noch terugkeren, maar zij wilden liever ter plekke te midden van de (mannen) Lotoseters lotos plukkend blijven en de terugkeer vergeten. Hen voerde ik naar de schepen, terwijl ze huilden, met dwang, en nadat ik ze meehesleurd had, bond ik ze vast onder de roeibanken van de gewelfde schepen en ik droeg op aan die andere trouwe makkers van me zich haastend aan boord te gaan van de snelle schepen, opdat niet op de een of andere manier iemand die/omdat hij van de lotos gegeten had, de terugkeer vergat. Zij gingen snel aan boord en bij de dollen gingen zij zitten, en zittend op een rij (achter elkaar) sloegen zij de grauwe zee met de roeiriemen. |
Aiolos Homeros Odyssee X, 1 -76
|
5 10 15 20 25 30 35 40 45 50 55 60 65 70 75 |
Aiolië, het eiland, bereikten wij: daar
woonde Aiolos de zoon van Hippotes, geliefd bij de onsterfelijke goden, op een drijvend eiland: en helemaal daaromheen was een muur van brons, ondoordringbaar, en een gladde rots rees omhoog. van hem leven ook twaalf kinderen in het paleis, zes dochters en zes zonen in de bloei van hun leven. Daar had hij z'n dochters aan z'n zonen gegeven om hun echtgenotes te zijn, en altijd bij hun eigen/geliefde vader en zorgzame moeder gebruiken zij de maaltijd: en bij hen liggen talloze spijzen, en door het huis vol van vetdamp weergalmt (het geluid van) fluitspel overdag, 's nachts daarentegen bij hun eerbiedwaardige echtgenotes slapen zij op dikke dekens en in de doorboorde bedden. En van hen hadden wij de stad bereikt en het mooie huis. Een hele maand lang ontving hij mij gastvrij en vroeg mij uit over alles (stuk voor stuk), Ilion, de schepen van de Argivers en de terugkeer van de Achaiërs: en ik vertelde hem alles naar behoren, volledig. Maar toen ik dan ook vroeg om weg te mogen gaan en verzocht mij te laten gaan, weigerde ook hij helemaal niet, maar vervaardigde een geleide. Hij gaf mij, na de huid afgestroopt te hebben, een leren zak van een negenjarig rund, en daarin bond hij de banen van de beukende winden vast: hem immers had tot beheerder van de winden aangesteld de zoon van Kronos, om zowel te laten ophouden als op te doen steken, welke (wind) hij maar wil. In het gewelfde schip bond hij die (de zak) vast met een schtitterend koord van zilver, opdat niet iets erlangs waaide, zelfs al was het maar weinig: en hij liet voor mij het blazen van Westenwind naar buiten om te waaien, om de schepen en onszelf mee te dragen: maar blijkbaar zou hij het niet tot een (goed) einde brengen: want wij gingen te gronde door onze eigen roekeloze daden. Negen dagen lang voeren wij (onafgebroken) gelijkelijk de nachten en de dagen, op de tiende dag al doemde het land op van het vaderland, en wij zagen al (mensen) hun vuren onderhouden, die (zo) dichtbij waren. Toen kreeg de zoete slaap mij in zijn greep, omdat ik uitgeput was: steeds immers bediende ik de schoot van het schip en geen van de andere makkers gaf ik die, opdat wij sneller aankwamen in het vaderland: en mijn makkers spraken met woorden tegen elkaar en zeiden dat ik goud en zilver mee naar huis nam voor mezelf, de geschenken van de kant van de fiere Aiolos, de zoon van Hippotes: en zo sprak iemand telkens kijkend naar een ander in zijn buurt: "verdorie, hoe gevierd en geëerd is deze hier bij alle mensen, van wie ook maar hij de stad en het land bereikt heeft. Vele mooie kostbaarheden uit Troje brengt hij voor zich mee uit de krijgsbuit: wij daarentegen die de gelijke tocht hebben volbracht keren naar huis terug (samen) met/hebbende lege handen. Ook nu gaf hem deze dingen, een welgevallen doende uit vriendschap, Aiolos. Maar vooruit laten wij snel zien, wat deze dingen hier zijn, hoeveel goud en zilver er in de leren zak is." Zo spraken zij, en het slechte plan van de makkers won (het) Ze maakten de leren zak open en alle winden sprongen eruit, hen snel meegesleurd hebbend dreef een windvlaag naar de zee terwijl ze huilden, weg van het vaderland: en ik, wakker geworden, overlegde in mijn onberispelijke hart of ik mezelf uit het schip werpend moest omkomen op zee of dat ik tegen mijn zin moest volharden en nog te midden van de levenden moest zijn. Maar ik hield vol en wachtte af, mijn handen voor mijn gezicht geslagen hebbend, lag ik op het schip: en zij (de schepen) werden voortgedreven door een slechte windvlaag terug naar het eiland Aiolië, en de makkers zuchtten maar. Daar (dus) gingen wij het land op en putten er water, en snel gebruikten zij de maaltijd bij de snelle schepen, de makkers, En toen zij het voedsel genuttigd hadden en het drinken, Toen dan nadat ik een heraut en een makker had mee laten gaan ging ik naar het vermaarde huis van Aiolos en ik trof hem aan de maaltijd nuttigend aan de zijde van zijn echtgenote en zijn kinderen. Binnengegaan in het huis, gingen wij bij de deurposten op de drempel zitten: en zij waren verbaasd in hun hart en vroegen: "Hoe ben je (hier) gekomen, Odysseus? Welke slechtgezinde god heeft je te graen genomen? Wij hebben u zeker met zorg uitgeleide gedaan, opdat u uw kon/wel zou bereiken uw vaderland en huis, en als er ergens u dierbaar is." Zo spraken zij; en ik sprak in hun midden bedroefd in mijn hart: "Bedrogen uit laten komen hebben mijn makkers mij en bij hen de slaap de verderfelijke, maar maakt het in orde, vrienden: want het vermogen (daartoe) is bij u." zo sprak ik, (hen) benaderend met vriendelijke woorden: maar zij waren stil; en de vader antwoordde met woord: "Scheer je snel weg van mijn eiland, verachtelijkste van de mensen: want het is mij niet geoorloofd gastvrij te ontvangen noch uitgeleide te doen die man die zich gehaat heeft gemaakt bij de onsterfelijke goden. scheer je weg, want ditmaal ben je hier gekomen omdat je je gehaat gemaakt hebt bij de onsterfelijke goden." Na zo gesproken te hebben zond hij mij weg van het huis, terwijl ik zwaar zuchtte. |
De Laistrygonen Homeros Odyssee X, 77 - 132
|
80 85 90 95 100 105 110 115 120 125 130 |
Vandaar voeren wij verder bedroefd in ons hart. Gekweld werd het gemoed van de mannen door het pijnlijke roeien, door onze dwaasheid, want niet meer verscheen een geleide. Zes dagen lang voeren wij gelijkelijk nachten en dagen; de zevende dag echter bereikten wij de steile burcht/stad van Lamos, Telepylos, van de Laistrygonen, waar de (ene) herder de (andere) herder roept, (z'n vee) naar binnen drijvend, de ander antwoord, (z'n vee) naar buiten drijvend. Daar zou een man-zonder-slaap een dubbel loon hebben kunnen verdienen, het ene door runderen te hoeden, het andere door de zilverwitte schapen te weiden; dichtbij (elkaar) immers zijn de paden van de nacht en de dag. Toen wij daar bij/in de beroemde haven gekomen waren, waaromheen een rots steil, ononderbroken, zich bevindt aan beide zijden, en vooruitstekende kapen/uitlopers tegenover elkaar steken uit voor de havenmond en de toegang is nauw, daar naar binnen stuurden zij allen hun aan weerszijden gekromde schepen. Deze (schepen) waren dan binnenin de holle haven vastgebonden dicht op elkaar; want nooit verhief zich een golf daarin, noch een grote noch een kleine, rondom was een schitterende, kalme zee. Maar alleen ik hield mijn zwarte schip erbuiten, bij het uiteinde ervan, het (schip) aan een rots met de trossen vastgebonden hebbend; ik bleef staan na naar een rotsachtige uitkijkpost omhoog gegaan te zijn. daar liet zich noch (sporen van) daden van runderen noch van mensen zien, alleen rook zagen wij opstijgen(d) vanaf de grond. toen dan zond ik makkers vooruit om gaande uit te vorsen, welke broodetende mensen er leefden in het land. tween mannen uitgekozen hebbend, en een derde als heraut mee gegeven hebbend. Van boord gegaan (zijnde) gingen zij over de effen weg, juist die waarlangs de wagens (geregeld) naar de stad hout vervoeren vanaf de hoge bergen. Een meisje liepen zij voor de stad tegen het lijf, dat water aan het halen was, de kloeke dochter van de Laistrygoniër Antiphates. Zij ging natuurlijk naar beneden naar de bron, de helderstromende Artakië, daaruit immers brachten zij telkens water naar de stad; Nadat zij bij haar waren blijven staan spraken zij haar toe en vroegen (uit) wie de koning was van hen (hier) en over wie hij regeerde. Zij toonde hen zeer direct het hoge huis van haar vader. Toen zij het beroemde huis waren binngegaan, troffen zij die vrouw aan, zo groot als een bergtop, en zij deinsden terug voor haar. Zij riep snel van de markt/uit de vergadering de beroemde Antiphates, haar echtgenoot, die dan voor hen beraamde de ellendige ondergang/dood. Meteen bereidde hij één van de makkers, na hem gegrepen te hebben, als maaltijd (voor zich); maar de twee (anderen) bereikten, na snel op de vlucht geslagen te zijn, de schepen. Maar hij hief een schreeuw door de stad heen: en toen zij dat hoorden kwamen de fiere Laistrygonen, de een van hier, de ander van daar, ontelbaar vele,, niet lijkend op mensen/mannen, maar op de Giganten. Zij dan vanaf de rotsen: met door mensen niet te tillen rotsblokken gooiden zij: terston klonk er een onheilspellend lawaai op overal op de schepen van stervende mensen en van tegelijk brekende schepen; en hen als vissen aan de spies rijgend namen ze hen mee als onverkwikkelijke maaltijd. Terwijl zij bezig waren met hen te doden binnenin de zeer diepe haven, in die tijd trok ik (ptcp) mijn scherpe zwaard van mijn dijbeen en hakte daarmee de trossen af/los van het schip met de blauwzwarte voorsteven. Snel beval ik mijn makkers, na hen aangespoord te hebben, zich op de roeiriemen te werpen, opdat wij aan de ellende ontvluchten; en allen deden zij tegelijk (het water) opspatten, vrezend de ondergang. Tot mijn vreugde ontvluchtte de overhangende rotsen naar de zee mijn schip: maar de andere (schepen) gingen gezamenlijk ter plekke te gronde. |
Kirke Homeros Odyssee X, 133 - 143
|
135 140 |
Vandaar voeren wij verder bedroefd in ons hart. verheugd (ontsnapt te zijn) aan de dood, hoewel dierbare makkers waren omgekomen. Het eiland Aiaië bereikten wij; daar woonde Kirke met de mooie vlechten, een geduchte godin met welluidende stem, volle zuster van de onheilberamende Aietes; beide zijn zij voortgekomen uit Helios en hun moeder Perse, die Okeanos als zijn kind verwekt had. daar bij een kaap voeren wij met ons schip (richting kust) in stilte de schepen beschermende haven binnen, en een god wees ons de weg. Toen, na daar van boord gegaan te zijn, bleven wij twee dagen en twee nachten liggen, zowel door vermoeidheid als door smarten ons gemoed verterend. |
Kirke Homeros Odyssee X, 187 - 207
|
190 195 200 205 |
Toen de vroeg in de ochtend geboren, rozenvingerige
Dageraad verschenen was, toen sprak ook ik, na een vergadering belegd te hebben, te midden van allen: "Luistert naar de woorden van mij, makkers, ook al hebben jullie het slecht te verduren: vrienden, we weten immers niet waarlangs de duisternis, noch waarlans de dageraad, noch waarlangs de voor stervelingen schijnende zon onder de aarde gaat, noch waarlangs hij opkomt; maar laten we snel(ler) nadenken of er nog een (ander, dan ik in mijn hoofd heb) plan zal zijn: ik denk dat het er niet is. want ik zag, na naar een rotsachtige uitkijkpost omhoog gegaan te zijn, een/het eiland, waaromheen de eindeloze zee als een krans ligt. Zelf ligt het laag, maar middenop rook zag ik met mijn ogen door het dichte kreupelhout en bos heen" Zo sprak ik, en bij hen brak het dierbaar/hun eigen hart toen ze zich de daden herinnerden van de Laistrygoon Antiphates en de gewelddadigheid van de overmoedige Kykloop, mensenetend. Zij weenden luid, rijkelijk tranen vergietend; maar .. het hielp hen immers niets, dat ze jammerden. Maar ik deelde alle makkers met goede scheenplaten in twee groepen, en aan (eig. te midden van) beide groepen gaf ik een aanvoerder: de ene groep voerde ik aan, de ander de op een god gelijkende Eurylochos. Snel schudden wij de loten in een bronzen helm: en eruit sprong het lot van de fiere Eurylochos. |
Kirke Homeros Odyssee X, 208 - 243
|
210 215 220 225 230 235 240 |
Hij begaf zich op weg, en samen met hem de tweeëntwintig
makkers huilend; en ons lieten zij, terwijl wij jammerden, achter. En zij vonden gebouwd in een dal het huis van Kirke met gepolijste stenen, op een vrij liggende plek. Er omheen waren in de bergen levende wolven en leeuwen, die zij zelf betoverd had, toen ze hen kwalijke toverkruiden gegeven had. Maar zij (de beesten) stormden niet op de mannen af, maar - tegen verwachting - met hun lange staarten kwispelend, gingen zij om hen heen rechtop staan Zoals wanneer honden rondom hun meester, wanneer hij van de maaltijd komt kwispelen: want altijd brengt hij lekkere hapjes mee: zo rondom hen de wolven en de leeuwen met sterke klauwen kwispelden: maar zij werden bang, toen ze de verschrikkelijke monsters zagen. Ze bleven staan in de voorhal van de godin met mooie vlechten, en Kirke hoorden ze binnen zingen met mooie stem, terwijl ze ging naar het grote, onsterfelijke weefgetouw, zoals van godinnen de werken fijn en bevallig en prachtig zijn. Temidden van hen begon Polites met de woorden/te spreken, de aanvoerder der mannen, die voor mij de dierbaarste en geliefdste van de makkers was: "Vrienden, binnen immers gaat (ptcp) iemand naar een groot weefgetouw en zingt mooi, en de hele grond weergalmt, of een godin of een vrouw; maar laten wij snel ons laten horen." Zo dan sprak hij, en zij schreeuwden, roepend. En zij snel naar buiten gaande opende de schitterende deur(en) en riep (hen): en in hun onwetendheid volgden zij allen tegelijk; maar Eurylochos bleef achter, menend dat het een list was. Zij deed (hen), na ze naar binnen gebracht te hebben, zitten op leunstoelen en zetels, en bij hen kaas en gerstemeel en gele honing mengde zij met Pramnische wijn; maar met het voedsel mengde zij verderflijke toverkruiden, opdat zij geheel en al hun vaderland vergaten. Maar toen ze het gegeven had en zij het hadden opgedronken, meteen daarna sloot zij hen op, na hen met haar tverstaf geslagen te hebben, in de varkenskotten. En zij hadden van zwijnen de hoofden, stem, haren en lichaamsbouw, maar hun geest was in tact, precies zoals (hij) tevoren (was). Zo zaten zij al huilend opgesloten: en voor hen wierp Kirke kastanjes, eikels en de vrucht van kornoelje neer om te eten, zoals op de grond liggende zwijnen altijd eten. |
Kirke Homeros Odyssee X, 243 - 273
|
245 250 255 260 265 270 |
Eurylochos kwam terug naar het snelle zwarte
schip, om een bericht te zeggen/vertellen over zijn makkers en hun harde lot. Maar hij kon geen enkel woord uitspreken, hoewel hij het verlangde, omdat hij in zij hart getroffen was door grote smart: en in hem zijn beide ogen vulden zich met tranen, en zijn gemoed voelde een jammerklacht aankomen. maar toen wij allen dan ons over hem verbaasden, toen wij hem uitvroegen, toen ook vertelde hij de ondergang/het verderf van de andere makkers: wij gingen, zoals je bevolen had, door het kreupelhout, stralende Odysseus: wij vonden een in een dal gebouwd mooi huis van gepolijste stenen, op een vrij liggende plaats. Daar zong iemand met heldere stem terwijl naar een groot weefgetouw ging of een godin of een vrouw: en zij schreeuwden, roepend. Zij, snel naar buiten komend, opende de schitterende deur(en) en riep: en in hun onwetendheid volgde zij allen tegelijk: maar ik bleef achter, omdat ik meende dat het een list was. En zij verdwenen gezamenlijk tegelijk, en niemand van hen kwam (eruit) tevoorschijn, en zittend keek ik lange lange tijd uit." Zo sprak hij, maar ik wierp/hing mijn zwaard met zilveren knoppen om mijn beide schouders, het grote, bronzen, en om (hing ik) mijn boog; en hem spoorde ik aan terug dezelfde weg voor te gaan. Maar hij, met beide armen mijn knieën grijpend, smeekte en sprak jammerend tot mij de gevleugelde woorden: "Breng mij niet tegen mijn wil daarheen, door Zeus beschermende, maar laat mij hier ter plekke. Want ik weet dat noch jizelf zult gaan, noch iemand anders van jouw makkers zult sturen; Maar laten wij snel met dezen hier vluchten: want nog kunnen we ontkomen aan de dag des onheils." Zo sprak hij, maar ik sprak antwoordend tot hem: Eurylochos, waarachtig blijf jij maar ter plekke op deze plaats etend en drinkend, bij het holle,zwarte schip: maar ik ga/zal gaan: want er is een krachtige noodzaak voor mij. |
Kirke Homeros Odyssee X, 274 - 306
|
275 280 285 290 295 300 |
Na zo gesproken te hebben, ging ik landinwaarts
vanaf hetschip en het strand. maar toen ik dan, gaande door het heilige dal, op het punt stond het grote huis van Kirke, met veel (tover)kruiden te (zullen) bereiken, toen kwam mij Hermes met gouden staf tegemoet terwijl ik naar het huis ging, gelijkend op een jonge man, met het begin van baardgroei, precies wiens jeugd het welgevalligst is: hij gaf mij (natuurlijk) een hand en sprak het woord en sprak me bij name aan: "Waarheen ga je dan nu weer, ongelukkige, door de bergen in je eentje, terwijl je de plaats niet kent? die vrienden hier van jou gaan in (het huis) van Kirke rond als zwijnen, hebbend/met/in stevig gebouwde varkenskotten. Of ga je soms daarheen om hen te bevrijden? en ik zeg dat jijzelf niet zult terugkeren, maar jij zult blijven precies waar de anderen (zijn). Maar vooruit dan, ik zal jou van het kwaad bevrijden en zal je redden: hier, jij moet met/hebbend dit edele kruid naar het huis van Kirke gaan, wat voor jou de onheilsdag van je hoofd zal afwenden/afweren. Alle boosaardige/onheilbrengende plannen van Kirke zal ik jou zeggen. Zij zal voor een mengsel maken, en zal toverkruiden in het voedsel doen: maar toch zal zij jou niet kunnen betoveren: want dat zal niet toelaten het edele kruid, dat ik jou zal geven, ik zal je alles (stuk voor stuk) vertellen. Wanneer Kirke jou zal voortdrijven met de zeer lange toverstaf, op dat moment dan moet jij, na je scherpe zwaard van je dijbeen getrokken te hebben op Kirke aanstormen, alsof je vurig verlangt haar te doden. En zij zal bang geworden jou bevelen (met haar) naar bed te gaan: Dan moet jij daarna niet meer het bed van de godin weigeren, opdat ze voor jou je makkers zal bevrijden en jouzelf gastvrij opnemen; maar beveel haar een dure eed te zweren bij de gelukzaligen dat zij niet een of ander ander slecht leed voor jouzelf zal beramen, dat zij jou niet, wanneer je helemaal uitgkleed bent, weerloos en onmannelijk maakt." Nadat zo dan gesproken had, gaf de argusdoder het kruid na het ui de grond getrokken te hebben, en toonde mij de aard ervan. aan de wortel was het (gewoonlijk) zwart, maar de bloem leek op melk: de goden noemen het "molu"; het is moeilijk uit te graven voor sterfelijke mensen: maar de goden kunnen alles. |
Kirke Homeros Odyssee X, 307 - 374
|
310 315 320 325 330 335 340 345 350 355 360 365 370 |
Hermes ging daarna weg naar de grote Olympos over het bosrijke eiland, maar ik naar het huis van Kirke ging ik: en bij mij klopte m'n hart zeer onrustig, terwijl ik ging. Ik bleef staan bij de deur(en) van de godin met de mooie vlechten; toen ik daar was blijven staan riep ik, en de godin hoorde mijn stem. Zij snel naar buiten gaande opende de prachtige deur(en) en riep: en ik gign mee, bedroefd in mijn hart. Nadat ze me naar binnen geleid had, deed ze me zitten op een zetel met zilveren knoppen een mooie, kunstig bewerkt: en eronder was een bankje voor de voeten; ze maakte voor mij een brouwsel in een gouden beker, opdat ik dat dronk, en erin deed/goot zij een toverkruid, kwaad beramend in haar hart. en toen zij het gegeven had en ik het gedronken had maar mij niet betoverd had, na mij met haar toverstaf geslagen te hebben sprak zij een woord en sprak me bij name aan: "Ga nu naar het varkenskot, ga liggen met de anderen, je vrienden." Zo sprak zij, maar ik, na mijn scherpe zwaard getrokken te hebben van mijn dij(been) stormde op Kirke af alsof ik vurig verlangde haar te doden. Maar zij, luid gillend, rende eronder uit en greep mijn knieën en jammerend sprak zij tot mij de gevleugelde woorden: "Wie, vanwaar van de mensen ben jij? waar (zijn) voor jou stad en ouders? Verwondering heeft mij (in haar greep), omdat jij geenszins na het drinken van deze toverkruiden betoverd bent. Want helemaal geen enkele andere man heeft deze toverkruiden verdragen, die het (maar) gedronken heeft. Maar (voor jou is=) jij hebt een of andere niet te betoveren geest in je borst. Waarachtig jij bent Odysseus de vindingrijke, van wie mij altijd de argusdoder met gouden staf (telkens) zei dat je zou komen, wanneer je terugkeerde uit Troje met je snelle zwarte schip. Maar kom op, steek je zwaard dan nu in de schede en laten wij beiden daarna naar mijn (ons) bed gaan, opdat wij, nadat wij ons beiden verenigd hebben in bed en liefde, elkaar vertrouwen." Zo sprak zij, maar ik sprak haar antwoordend toe: "( Nee) Kirke, want waarom beveel je mij vriendelijk voor jou te zijn, (jij) die (voor) mij m'n makkers tot zwijnen gemaakt hebt in je paleis, en mijzelf hier hebbend beveel je listen bedenkend naar de slaapkamer te gaan en jouw bed in te gaan, opdat je mij, wanneer ik ontbloot ben, weerloos en onmannelijk maakt. Maar ik zou zeker niet in jouw bed willen gaan, als jij niet, godin, zou durven een dure eed te zweren dat jij niet voor mijzelf een of ander ander kwaad leed beraamt." Zo sprak ik, en zij zwoer meteen zoals ik beval. Toen zij dan gezworen had en de een beëindigd had, toen ook ging ik het bed in van de zeer mooie Kirke. Intussen waren natuurlijk dienaressen druk in de weer in haar paleis vier in getal, die voor haar het personeel zijn/vormen in huis. Zij komen voort - stel je voor ! - uit bronnen en bossen en uit heilige rivieren, die voortstromen naar de zee. Van hen legde/wierp één op de zetels mooie spreien purperkleurige erbovenop/als bovenste, maar daaronder legde/wierp ze een dekkleed; De tweede klapte voor de zetels tafels uit van zilver, en erop zette zij gouden mandjes; de derde mengde in een zilveren mengvat honingzoete heerlijke wijn, en deelde de gouden bekers uit; de vierde droeg (steeds) water aan en stak vuur aan, veel/ een groot, onder een grote drievoet: en het water werd warm. En toen ze dan het water gekookt had in een glanzende bronzen ketel waste ze (me), nadat ze me had doen zitten in een badkuip, (met water) vanuit de grote drievoet, na het (tot een) aangename (temperatuur) gemengd te hebben, vanaf mijn hoofd en schouders (naar beneden), opdat ze bij mij de levenlustdodende vermoeidheid (geheel) uit de ledematen wegnam. En toen ze (mij) gewassen had en glanzend gezalfd met olijfolie, wierp ze mij een mooie mantel en chiton om, en ze deed me zitten, na mij naar binnen gebracht te hebben, op een zetel met zilveren knoppen een mooie, kunstig bewerkt: en eronder was een bankje voor de voeten; en een dienares waswater brengend goot dit uit met een schenkkan een mooie gouden, boven een zilveren wasbekken, om me (de handen) te wassen: en erbij klapte ze een gepolijste tafel uit. Een eerbiedwaardige huishoudster voedsel brengedn zette dit neer, vele spijzen op tafel zettend, graag gevend van wat voorhanden was; en zij beval (me) te eten: maar dat beviel mijn gemoed niet, maar ik zat daar (maar) aan andere dingen denkend, en mijn gemoed zag ellende (voor zich) |
Kirke Homeros Odyssee X, 375 - 399
|
375
380 385 390 395 |
Toen Kirke bemerkte dat ik (alleen maar) zat
en niet naar het voedsel mijn handen uitstrekte, maar dat ik hevige smart had, sprak zij, terwijl zij dichtbij mij kwam staan, tot mij de gevleugelde woorden: "Waarom toch, Odysseus, zit jij dan zo terneer gelijk(end op) een stomme, je gemoed verterend, en raak je geen eten noch drinken aan? Of meen je dat er misschien (nog) een of andere andere list is: maar het is niet nodig dat jij voor iets bang bent: want ik heb voor jou al een krachtige eed gezworen." Zo sprak zij, maar ik sprak antwoordend tot haar: "Kirke, welke man immers, die rechtgeaard is, zou het verdragen eerder te proeven van voedsel en drinken dan dat hij zijn makkers bevrijd had en voor zijn ogen zag? Maar als jij mij dan oprecht beveelt te eten en te drinken, maak ze los, opdat ik met mijn ogen zie mijn dienstvaardige makkers." Zo sprak ik, en Kirke was door de zaal naar buiten gegaan met/hebbend haar toverstaf in de hand, en ze opende de deur van het varkenskot, en ze dreef naar buiten hen, die leken op negenjarige varkens. Zij gingen daarna tegenover (haar) staan, en zij, tussen hen door gaande, smeerde ieder, stuk voor stuk, in met toverkruid, (wel) een ander (nu). Van hun ledematen vielen de haren weg, die eerder had doen groeien het verderfelijke toverkruid, dat hun gegeven had de machtige Kirke; mannen werden ze weer, jonger dan ze tevoren waren en veel mooier en groter om aan te zien. Zij herkenden mij en ze gaven me ieder een hand, (stuk voor stuk). En bij allen kwam een verlangensvolle weeklacht naar boven, en het huis dreunde verschrikkelijk rondom: en ook zelf had de godin medelijden. |
Skylla en Charybdis Homeros Odyssee XII, 201 - 259
|
205 210 215 220 225 230 235 240 245 250 255 |
Maar toen wij dan dat eiland achter ons lieten,
meteen daarna zag ik rook en een grote golf en hoorde ik gedreun; en omdat zij natuurlijk bang werden vlogen de roeiriemen uit hun handen, en die donderden dus allemaal verspreid in de stroom: en ter plekke kwam het schip stil te liggen, omdat zij niet meer met hun handen de uitstkende roeiriemen hanteerden. maar ik, door het schip gaande, spoorde de makkers aan met vriendelijke woorden, toetredend op elke man (afzonderlijk): "Vrienden, wij zijn immers nog niet vrij van ellende/rampen; deze (aanwezige) ellende/ramp is zeker niet groter dan toen de Kykloop ons in zijn gewelfde grot opsloot met krachtig geweld: maar ook vandaar zijn wij door mijn moed, beleid en geest/slimheid ontvlucht, en ik meen dat wij ook deze (ellende) wel zullen herinneren. Maar nu kom op, laten wij allen gehoorzamen, zoals ik zal zeggen. jullie moeten met de roeiriemen de diepe branding van de slaan gezeten bij de dollen, om te zien of misschien Zeus het wellicht zal geven dit verderf te ontvluchten en te ontwijken; maar aan jou, stuurman, draag ik het volgende (zo) op: kom op, neem het ter harte, omdat jij het roer van het gewelfde schip bestuurt. Houd buiten die rook en golf het schip, en stuur aan op de klip, opdat het niet zonder dat jij het merkt daarheen vooruitschiet en jij ons in het ongeluk/kwaad stort." Zo sprak ik, en zij gehoorzaamden snel aan mijn woorden. Skylla echter noemde ik niet meer, een kwelling waar niets tegen te doen is, opdat mijn makkers me niet wellicht, omdat ze bang werden, ophielden met roeien, en zichzelf binnenin (het schip) verstopten. Ook toen dan vergat ik de smartelijke opdracht van Kirke, toen zij mij aanspoorde om mij geenszins te bewapenen: maar ik, na mijn wapenrusting aan getrokken te hebben en twee lange lansen in mijn handen genomen te hebben betrad het het stormdek van het schip op de voorplecht; (van)daar immers verwachtte ik dat zij het eerst zou verschijnen, de rotsbewonende Skylla, die mij mijn makkers leed bracht; maar op geen enkele wijze kon ik (haar) zien, en voor mij werden mijn beide ogen moe omdat ik naar alle kanten rondgluurde naar in nevel gehulde rots. Wij voeren de zeeëngte in, jammerend: want aan de ene kant de Skylla, aan de andere deed de stralende Charybdis het zoute water van de zee verschrikkelijk opbruisen. Werkelijk, telkens wanneer zij het had uitgespuwd, zoals een ketel op een groot vuur, bruiste zij geheel en al kokend telkens weer omhoog: en omhoog op de toppen van beide rotsen viel het neer. Maar telkens wanneer zij het zoute water van de zee had opgeslurpt, leek zij (telkens) van binnen geheel en al te koken, en rots brulde verschrikkelijk rondom, en in de diepte verscheen (telkens) de grond/bodem donker(blauw) door het zand: en een bleekmakende angst greep hen aan. Wij keken naar haar, onze ondergang vrezend: Intussen had Skylla (voor) mij uit het holle schip zes makkers genomen, die met hun armen en in kracht de besten waren. Hoewel ik tegelijk naar het snelle schip en naar de makkers gekeken had zag ik van hen (meteen) al boven (me) de voeten en armen terwijl ze hoog opgetild werden: en zij schreewden mij roepend bij mijn naam, toen (nog) een laatste keer, bedroefd in hun hart. En zoals wanneer een visser op een klip met een zeer lange hengel voor de weinige vissen als een list voedsel/lokaas werpend (het haakje gemaakt van) de hoorn van een op het land levend rund in zee uitwerpt, en daarna, na er één gevangen te hebben, deze spartelend op het droge werpt, zo werden zij spartelend opgetild naar de rotsen: en ter plekken bij de ingang at zij ze op, terwijl ze huilden, hun armen naar mij uitstrekken in een afschuwelijk (doods)strijd. Dat zag ik als allerverschrikkelijkste met mijn ogen van alle dingen, die ik met moeite doorstaan heb, op zoek naar (vaar)wegen op zee. |
De runderen van Helios Homeros Odyssee XII, 260 - 303
|
260
265 270 275 280 285 290 295 300 |
Maar toen wij aan de rotsen ontvlucht waren en
de verschrikkelijke Charybdis en Skylla, bereikten wij direkt daarna het onberispelijke eiland van de god; en daar waren mooie runderen met breed voorhoofd, en veel stevige schapen van Helios Hyperion. toen dan terwijl ik nog op zee was op het zwarte schip hoorde ik het geloei van de in de hof zijnde koeien en het geblaat van de schapen: en het woord schoot mij in mijn gemoed te binnen van de blinde ziener, de Thebaan Teiresias, en van Kirke van Aiaië, die mij zeer dringend opdroegen het eiland te vermijden van de mensenverheugende Helios. Toen dan sprak ik temidden van de makkers, bedroefd in mijn hart: "Hoort mijn woorden, makkers, hoewel veel kwaad te lijden hebben, opdat ik jullie de voorspellingen vertel van Teiresias en van Kirke van Aiaië, die mij zeer dringend opdroegen het eiland te vermijden van de mensenverheugende Helios: want zij zeiden (herhaaldelijk) dat daar het verschrikkelijkste kwaad is voor ons. nee, maar vaar het zwarte schip langs dit eiland voorbij." zo sprak ik en bij hen werd hun (dierbaar/eigen) hart gebroken. En terstond antwoordde Eurylochos mij met het rampzalige woord: Jij bent wreed, Odysseus, (aan jou is =)jij hebt moed in overvloed en wat betreft je ledematen wordt jij niet moe: waarachtig, blijkbaar alles bij jou is van ijzer gemaakt, (jij) die je makkers, die uitgeput zijn door vermoeidheid en ook slaap(gebrek), niet toestaat het land op te gaan, waar wij weer (eens) op het rondomomstroomde eiland een lekkere maaltijd kunnen maken, maar ons aanspoort om zomaar door de snelvallende nacht rond te zwerven, weggedreven van het eiland, de in nevelen gehulde zee op. En uit de nachten ontstaan moeilijke winden, verderf voor de schepen: waarlangs zou iemand het steile verderf kunnen ontvluchten, indien er op een of andere manier plotseling een windvlaag zal komen, ofwel van de Zuidenwind ofwel van de stormachtige Westenwind, die vooral een schip verbrijzelen, tegen de wil van de goden, de heersers. Nee, laten wij werkelijk nu gehoor geven/gehoorzamen aan de zwarte nacht en een maaltijd gereed maken, blijvend bij het snelle schip; en morgenochtend vroeg zullen wij, na aan boord gegaan te zijn, de wijde zee bevaren." Zo s[rak Eurylochos, en de andere makkers vielen hem bij. Toen dan ook zag ik in dat een godheid kwaad in de zin had/beraamde, en beginnend te spreken sprak ik tot hem de gevleugelde woorden: "Eurulochos, waarachtig wel zeer zetten jullie mij voor het blok, omdat ik alleen sta; maar vooruit dan, jullie moeten mij allen een krachtige eed zweren dat, als wij ofwel een of andere kudde runderen of een grote kudden schapen zullen vinden. niet ergens iemand met roekeloze slechte daden of een rund of een of ander schaap doodt; maar eet gerust het voedsel dat de onsterfelijke Kirke verschafte." Zo sprak ik, en zij zwoeren meteen, zoals ik bevasl. |
De runderen van Helios Homeros Odyssee XII, 304 - 326
|
305 310 315 320 325 |
En toen zij gezworen hadden en de eed beëindigd
hadden, deden wij het goedgebouwde schip in een holle haven staan/voor anker gaan dichtbij zoet water, en de makkers gingen van boord van he schip, en daarna vervaardigden zij kundig voor zich de maaltijd. En toen zij hun verlangen naar eten en drinken volledig gestild hadden, weenden zij vervolgens omdat ze zich hun dierbare makkers herinnerden, die Skylla gegeten had, na ze uit het gewelfde schip genomen te hebben; en over hen kwam terwijl ze weenden een diepe slaap. Maar toen het in het derde deel van de nacht was, en de sterren de daling ingezet hadden, stuurde de wolkenverzamelaar Zeus een zeer harde wind erop af met een geweldige stormvlaag, en met de wolken bedekte hij het land tegelijk ook de zee: de nacht was ingetreden vanaf de hemel. Toen de vroeg in de ochtend geboren, rozenvingerige Dageraad verschenen was, legden wij het schip voor anker, nadat we het in een holle grot getrokken hadden; daar waren de mooie dansplaatsen en zetels van de Nimfen. En nadat ik toen een vergadering belegd had sprak ik te midden van hen het woord: "Vrienden, in het snelle schip immers is voedsel en drinken aanwezig, maar laten wij ons onthouden van deze runderen, opdat wij :niets lijden want van een geduchte god zijn deze koeien en stevige schapen, van Helios, die (op) alles (toe)ziet en alles hoort." Zo sprak ik, en bij hen gehoorzaamde het manhaftig gemoed. De hele maand woei onafgebroken de Zuidenwind, en geen enkele andere van de winden ontstond daarna, behalve de Oostenwind en de Westenwind. |
De runderen van Helios Homeros Odyssee XII, 327 - 365
|
330 335 340 345 350 355 360 365 |
En zij (de makkers) zoalng zij voedsel hadden
en rode wijn zolang bleven van de runderen af verlangend naar het leven. maar toen dan alle proviand van het schip (helemaal) op(geraakt) was, ook toen (nog) hielden zij zich rondzwervend (steeds) bezig met de jacht, noodgedwongen, (op) vissen en vogels, alwat maar in hun handen kwam, met gekromde haken: maar kwelde/bleef kwellen hun magen. Toen dan ging ik weg het eiland over, opdat ik tot de goden bad, (om te zien) of iemand mij een weg toonde/openbaarde om terug te keren. maar toen ik dan gaande over het eiland de makkers ontweken had, na mijn handen gewassen te hebben, waar beschutting tegen aanwezig was, bad ik tot alle goden, die de Olympos bewonen: maar zij dan goten voor mij zoete slaap op de oogleden. En Eurylochos kwam bij de makkers aanzetten met kwalijk plan: "Hoort mijn woorden, makkers ook al hebben jullie leed te verduren: alle vormen van dood(gaan) zijn verschrikkelijk voor de ellendige stervelingen, maar door de honger sterven en zijn doodslot bereiken is het meest beklagenswaardig. Maar kom op, laten wij na de beste van de koeien van Helios (bijeen)gedreven te hebben offeren aan de onsterflijken, die de wijde hemel bewonen. En als wij wel Itaka zouden bereiken, het vaderland, dan zullen wij wel snel voor Helios Hyperion een vette tempel bouwen, en erin zullen we wel vele en edele beelden plaatsen; maar als hij boos geworden om de koeien met rechtopstaande horens het schip zal willen vernietigen, en als de andere goden daarin meegaan, (dan) wil ik liever in één keer met de mond vol water het leven verliezen dan lange tijd me af te tobben zijnde op een een verlaten/onbewoond eiland." Zo sprak Eurylochos, en de andere makkers vielen hem bij. Meteen dreven zij (ptcp!) de beste van de koeien van Helios (bijeen) van dichtbij: want niet ver van het schip met blauwzwarte voorsteven graasden (steeds) de kromhoornige mooie koeien met breed voorhoofd; en zij gingen rondom de koeien staan en baden tot de goden, na de tere bladeren geplukt te hebben van een eik met hoog loof: want zij hadden geen witte gerst op het schip met goede roeibanken. En toen zij gebeden hadden en geslacht en gevild sneden zij de dijstukken eruit en bedekten ze (geheel) met vet na dat dubbelgevouwen te hebben, en daarop legden zij rauwe stukken vlees; en ze hadden geen wijn om te plengen op de brandende offerdieren, maar met water plengend braadden zij alle ingewanden op het vuur. En toen de dijstukken verbrand waren en zij de ingewanden gegeten hadden, sneden zij natuurlijk de rest aan stukken en spietsten ze rond de braadspeten. |
De runderen van Helios Homeros Odyssee XII, 366 - 396
|
370 375 380 385 390 395 |
Toen ook snelde bij mij de diepe slaap weg van
de oogleden: en ik begaf mij op weg naar het snelle schip het strand bij de zee. Maar toen ik dan gaande dichtbij het aan beide zijden gekromde schip was, toen ook kwam rondom mij de heerlijke geur van vet; na in weeklagen uitgebarsten te zijn maakte ik me hoorbaar te midden van de onsterflijke goden: "Vader Zeus en andere gelukzalige goden, die altijd leven/zijn, werkelijk zeer tot onheil hebben jullie mij gebracht met de verderflijke slaap, mijn makkers hebben besloten tot een grote (erge) daad, terwijl ze wachtten." En snel kwam een bode voor/bij Helios Hyperion, Lampetië met lange peplos, (zeggend) dat wij voor hem/zijn koeien gedood hebben. Terstond sprak hij te midden van de onsterflijken vertoornd in zijn hart: "Vader Zeus en andere gelukzalige goden, die altijd leven/zijn, straf (dan) de makkers van Laërtes' zoon Odysseus, die mijn koeien in overmoed gedood hebben, waarover ik althans me telkens weer verheugde wanneer ik ging naar de sterrenrijke hemel, en telkens wanneer ik me terugwendde naar de aarde vanaf de hemel. maar als zij mij geen gepaste vergoeding zullen betalen voor de koeien, zal ik het huis van Hades induiken en schijnen bij de doden." Tot hem sprak antwoordend de wolkenverzamelaar Zeus: "Helios, jij moet waarachtig wel schijnen te midden van de onsterflijken en sterflijke stervelingen op het graanschenkende bouwland: en van hen zal ik wel snel het snelle schip, na met m'n withete bliksem geworpen te hebben, in stukjes splijten midden op de wijnkleurige zee." Die dingen had ik gehoord van Kalypso met mooie haren: en zij zei het zelf gehoord te hebben van de overbrenger Hermes. En toen ik afgedaald was naar het schip en de zee, berispte ik de een van deze, de ander van die kant op hen afgaand, maar geenszins konden wij een uitweg/middel vinden: de koeien waren al dood. en meteen deden de goden voor hen wondertekenen verschijnen: de huiden kropen, de stukken vlees rond de braadspeten loeiden, geroosterd en rauw: en als van runderen kwam het geluid. |
De runderen van Helios Homeros Odyssee XII, 397 - 419
|
400 405 410 415 |
Zes dagen lang (nog) daarna aten voor mij/mijn
de dienstvaardige makkers na de beste van de koeien van Helios (bijeen)gedreven te hebben. maar toen dan Kronos' zoon Zeus de zevende dag verleend had, toen ook hield vervolgens de wind op te razen met een stormvlaag, Na snel aan boord gegaan te zijn voeren wij de wijde zee op, na de mast rechtop gezet te hebben en de witte zeilen gehesen te hebben. Maar toen wij dan dit eiland achter (ons) lieten en er geen enkel ander van de landen verscheen, maar (alleen) de hemel en de zee, toen dan deed Kronos' zoon een donkere wolk staan boven het gewelfde schip, en de zee eronder werd domker. En het schip snelde gedurende niet zeer veel tijd voort: want snel kwam gierend de Westenwind, razend met een grote storm(vlaag), en de stormvlaag (van de wind) brak de stagtouwen/stagen van de mast allebei, de mast viel naar achteren, en alle tuigage viel neer in het ruim; en hij ( de mast) sloeg op de achtersteven van het schip tegen het hoofd van de stuurman, en verbrijzelde alle botten van het hoofd tegelijk: hij dan lijkend op een duiker viel neer vanaf het stormdek, en zijn manhaftige leven(slust) verliet zijn botten. Zeus donderde en wierp tegelijk zijn bliksem op het schip: het (schip) tolde geheel en al in het rond getroffen door de bliksem van Zeus, en het werd gevuld met zwaveldamp: en de makkers vielen uit het schip. En zij werden gelijkend op aalscholvers rondom het zwarte schip telkens gedragen op de golven, maar de god ontnam (hun) de terugkeer. |