|
Metamophoses I, 1-4 |
|
Mijn geest brengt mij ertoe te/wil vertellen over de gedaantes, die veranderd zijn in nieuwe lichamen: goden < u roep ik aan > ( want u hebt ook die veranderigen tot stand gebracht) inspireer mijn onderneming/dat wat ik ga ondernemen en breng/leid mijn lied zonder onderbreking van(af) de eerste oorsprong van de wereld tot aan mijn tijd. |
|
Metamophoses I, 452 - 462 |
|
De eerste geliefde van Phoebus <was> Daphne, dochter van Peneus: haar heeft niet het blinde toeval <aan hem> gegeven, maar de hevige woede van Cupido. De Deliër, trots op het overwinnen van de slang, had hem onlangs zijn boog zien spannen, nadat hij de pees bevestigd had, en hij had gezegd : "wat moet jij, baldadig jong, met krachtige wapens? Die last siert/past bij onze schouders, <wij> die onfeilbaar aan een wild dier, een vijand, wonden kunnen toebrengen, <wij> die onlangs nog de opgeblazen Python, die met zijn verderfelijke buik zoveel morgens land bedekt, met ontelbare pijlen tegen de grond gelegd. Jij, wees jij <er maar> tevreden <mee> ik-weet-niet-welke liefdes aan te wakkeren maar eis onze eer niet op." |
|
Metamophoses I, 463 - 473 |
|
De zoon van Venus zei tegen hem:"ook al doorboort jouw boog, Phoebus, alles, mijn boog <zal> jou <doorboren> en zozeer als alle levende wezens voor jou onderdoen, zoveel is ook jouw roem minder dan de onze.<Dit> zei hij en na kwiek de lucht doorkliefd te hebben met het klapwieken van zijn vleugels, bleef hij staan op de top van de schaduwrijke Parnassus en haalde uit zijn pijlendragende pijlenkoker twee projectielen met verschillende uitwerking tevoorschijn: (deze)/de ene verjaagt de liefde, (die)/de andere brengt <de liefde> teweeg; <de pijl>, die <liefde> teweegbrengt is van goud en schittert met haar scherpe punt, <de pijl>, die <liefde> verjaagt is stomp en heeft onder aan de schacht lood. Laatstgenoemde <pijl> hechtte de god vast in de nimf, dochter van Peneus, maar met eerstgenoemde <pijl> verwondde hij het hart van Apollo, door de doorboorde botten heen.. |
|
Metamophoses I, 474 - 489 |
|
Meteen is de ene verliefd, ontvlucht de ander de naam van liefhebbende/iemand die liefheeft, terwijl zij blij is met de schuilhoeken van de bossen en met de afgestroopte huiden van gevangen wilde dieren en nabootsend de ongehuwde Phoebe (Diana); een haarband hield haar wanordelijk hangende haren bijeen. Velen vroegen al om haar hand, <maar> zij wees de huwelijkskandidaten af <en> vol afkeer van en onervaren met een man doorkruist zij de afgelegen wouden en bekommert zich niet om wat Hymen, wat Amor, wat een huwelijk is.Dikwijls zei haar vader: "dochter, je bent mij een schoonzoon verschuldigd," dikwijls zei haar vader: "dochter, je bent mij kleinzonen verschuldigd;" <maar> zij had, vol afkeer van de huwelijksfakkels, als waren ze een misdaad, haar mooie gezicht overtrokken met het ingetogen (schaam)rood en met liefkozende armen aan de nek van haar vader hangend zei zij: "sta mij toe, allerliefste vader, om te genieten van een onafgebroken/eeuwige maagdelijkheid: vroeger gaf haar vader dit aan Diana". Hij weliswaar stond dit toe; maar die bekoorlijkheid <van je> verbiedt jou te zijn, wat je wenst <te zijn>, en jouw schoonheid verzet zich tegen jouw wens. |
|
Metamophoses I, 490 - 503 |
|
Phoebus heeft lief en hij begeert een huwelijk/seksuele omgang met Daphne, nadat zij <door hem> gezien was, en dat wat hij begeert, hoopt hij, <maar> zijn eigen orakels misleiden hem; en zoals lichte strohalmen verbrand worden, wanneer de korenaren geoogst zijn, zoals de heggen branden door fakkels, die een reiziger er te dichtbij heeft gehouden of er heeft achtergelaten omdat het al licht werd, zó raakte de god in vuur en vlam, zó brandt hij in heel zijn borst/hart en hij voedt de onbeantwoorde liefde door <erop> te hopen. Hij ziet de onverzorgde haren langs haar hals neerhangen en zegt: "Wat/hoe zou het zijn, als ze opgemaakt (zouden) zorden?"; hij ziet haar ogen van/met vuur fonkelen als sterren, hij ziet haar lippen, waarvan het niet genoeg is, ze gezien te hebben; hij prijst haar vingers, haar handen en haar onderarmen, ook haar meer dan de helft ontblote bovenarmen: als er enige <delen> bedekt zijn, vindt hij ze beter. Sneller dan een lichte bries vlijgt zij en zij blijft niet staan bij de volgende woorden van hem, die <haar> terugroept: |
|
Metamophoses I, 504 - 524 |
|
"Nimf, ik smeek je, dochter van Peneus, wacht! Ik achtervolg je neit als vijand; nimf, wacht! Zo vlucht een lam voor een wolf, zo een hinde voor een leeuw, zo de duiven met angstig fladderende vleugels voor een adelaar, <zo vlucht> ieder voor zijn eigen vijand; liefde is voor mij de reden van het volgen. Ik ongelukkige! Pas op dat je niet voorover valt of dat doornstruiken niet jouw benen, die het verdienen gekwetst te worden, schrammen, en dat ik niet de oorzaak ben van pijn voor jou. Ruw zijn de plaatsen waarlangs jij je haast: Ren, smeek ik je, rustiger en houd je vlucht in: zelf zal ik jou rustiger achtervolgen. Informeer toch <wie hetis> bij wie je in de smaak valt; geen bewoner van bergen, geen herder ben ik, niet hoed ik hier runderen en kleinvee, als een onbeschaafde. Je weet niet, onbezonnene, je weet niet wie je ontvlucht, en daarom vlucht je. Mijn ondergeschikten zijn het Delphische land, Claros, Tenedos en het paleis van Patara; Iuppiter is mijn vader. Door mij wordt geopenbaard, wat zal zijn, wat geweest is en wat is; door mij zijn de liederen in harmonie met de snaren. Onze pijl is weliswaar trefzeker, maar toch is één pijl trefzekerder dan de onze, (de pijl), die wonden heeft geslagen in een leeg hart. Geneeskunst is mijn uitvinding en hulpbrenger word ik in de hele wereld genoemd en de werking van kruiden is aan ons onderworpen: wee mij, omdat de liefde door geen enkel kruid te genezen is, en de vaardigheden, die iedereen helpen, baten hun meester niet!" |
|
Metamophoses I, 525 - 542 |
|
Hem, die op het stond nog meer te zeggen, ontvluchtte de dochter van Peneus in een angstige ren, en met hemzelf liet zij (ook) de onafgemaakte woorden achter (zich), ook toen/op dat moment scheen zij (hem) bekoorlijk; de winden ontblootten haar lichaam, tegemoetkomende windvlagen deden haar kleren de andere kant uit fladderen en een lichte bries dreef haar haren naar achteren en haar schoonheid werd vergroot door de vlucht. Maar (hij vervolgt haar verder), want de jonge god verdraagt het niet langer vleiende woorden te verspillen, en zoals de liefde zelf hem aanspoorde (te doen), volgt hij haar voetsporen met versnelde pas. Zoals wanneer een Gallische hond in het open veld een haas gezien heeft en deze met zijn poten de buit/prooi tracht te bereiken, (maar) die zijn redding (de een lijkt op iemand die op het punt staat zich <in zijn prooi> vast te bijten en hoopt elk moment hem te hebben en raakt (hem) hem al bijna aan met z'n opengesperde muil, de ander is onzeker of hij gegrepen zal worden en ontrukt zich nog net aan de beten en laat de bek, die hem al aanraakte achter zich): zo de god en het meisje; deze is neller door zijn hoop, die door haar angst. Maar toch is hij die achtervolgt sneller, geholpen door de vleugels van de liefde en gunt zich geen rust en is al vlakbij de rug van de vluchtende en z'n adem blaast in haar haren, die over haar nek uitgespreid zijn. |
|
Metamophoses I, 543 - 552 |
|
Toen haar krachten waren opgebruikt, verbleekte zij en overwonnen door de inspanning van de snelle vlucht zei zij: "Aarde, open u of richt die (vermaledijde) schoonheid, die maakt dat ik gekwetst word, te gronde door haar te veranderen! Bied hulp vader" zei zij "als jullie rivieren goddelijke macht hebben. Vernietig, door haar te veranderen, mijn schoonheid, waarmee ik al te veel in de smaak viel!" Nauwelijks nadat zij haar smeekbede beëindigd heeft, overvalt een zware verstijving haar ledematen: haar zachte borst wordt omringd door een dunne bast, haar haren vergroeien tot loof, haar armen tot takken; haar zojuist zo snelle voet zit vast in taaie wortels, haar hoofd heeft (de plaats ingenomen van) de kruin: slecht haar glans blijft in haar bestaan. |
|
Metamophoses I, 553 - 567 |
|
Ook deze heeft Phoebus lief en nadat hij zijn rechterhand op de stam heeft gelegd, voelt hij nog steeds onder de nieuwe bast haar hart (angstig) kloppen en nadat hij de takken, als waren het ledematen omarmd heeft met zijn armen, geeft hij kussen aan het hout: tocht ontvlucht het hout de kussen. Tegen haar/hiertegen zie de god: "Omdat jij niet mijn vrouw kan zijn, zul je toch tenminste mijn boom zijn. Laurier(boom), onze haren, cither en pijlenkoker zullen altijd jou dragen. Jij zult altijd aanwezig zijn voor de Latijnse aanvoerders, wanneer een blijde stem "triomf"zal zingen en het Capitool de lange optochten zal aanschouwen. Bij de poort van Augustus zul jij eveneens voor de deur staan als een zeer trouwe bewaakster, en jij zult de eik in het midden zien, en zoals mijn hoofd jeugdig is met lange (ongeknipte) haren, moet ook jij de eeuwigdurende eerbewijzen van jou loof dragen." Paean had (zijn woorden) beëindigd: met haar pas gemaakte takken knikte de laurierboom "ja", en en het leek net alsof zij haar kruin bewogen had als een hoofd. |
|
Metamophoses II, 680 - 707 |
|
Dat was de tijd, waarin een herdersvacht jou (Apollo) bedekte en de last van je linkerhand was een stok uit het bos, (de last) van je andere (hand) een ongelijke herdersfluit met zeven rietpijpjes; er wordt verteld dat, terwijl de liefde jou tot zorg strekt, terwijl jouw herdersfluit je bekoort, je runderen onbewaakt voortgingen naar de Pylische akkers. Deze (runderen) ziet de zoon van Atlas' dochter Maia en nadat ze met de hem eigen listigheid wegggevoerd waren, verbergt hij ze in de bossen. Gemerkt had deze diefstal niemand, behalve een in die streek bekende oude man: Battus noemde alle buurtbewoners hem. Deze hield als bewaker toezicht op de bergweiden en grasrijke weilanden en de kuddes uitstekende merries van de rijke Neleus. Hij was bang voor hem en met zachte hand nam hij hem terzijde en zei tegen hem: "Vreemdeling, wie je ook bent, als iemand toevallig vragen zal stellen over deze kuddes, zeg dan dat je ze niet gezien hebt, en opdat de dankbaarheid voor deze daad niet ontbreekt, neem deze glanzende koe als beloning" en hij gaf de koe. Nadat hij die had aangenomen, antwoordde hij (met) de volgende woorden: "Vreemdeling, je kunt gerust gaan! Die steen daar zal eerder (dan ik) spreken over jouw diefstl", en hij wees op de steen. De zoon van Iuppiter doet alsof hij weggaat, weldra komt hij terug, en na zowel zijn stem als gedaante veranderd ter hebben, zei hij: "Boer, als je een aantal runderen over dit pad hebt zien gaan, help me dan en verbreek het stilzwijgen over de diefstal. Een met haar stier tot een paar verbonden koe zal aan jou gegeven worden." Maar de oude man zei, nadat de beloning verdubbeld was: "Aan de voet van die bergen zullen ze zijn," en ze waren aan de voet van die bergen. De kleinzoon van Atlas lachte en zei: "Verraad jij, trouweloze, mij aan mijzelf? Mij aan mijzelf?" en hij veranderde het leugenachtig persoon in een harde steen, die ook nu nog 'aanwijzer' genoemd wordt en op de steen, die het geenszins verdient heeft, rust (nog steeds) een slechte naam. |
|
Metamophoses IV, 171 - 189 |
|
Men meent dat deze god als eerste het overspel van Venus met Mars gezien heeft: deze god ziet alles als eerste. Hij was verontwaardigd over de daad en toonde aan de echtgenoot, de zoon van Iuno, de (heimelijke) schending van het bed en de plaats van de schending. Maar die raakt buiten zinnen en het werk(stuk) dat zijn handwerkersrechterhand vasthield viel eruit: meteen vervaardigde hij kunstig fijne boeien uit brons en netten en strikken, op zo'n manier dat ze de ogen konden bedriegen ( zeer dunne draden zouden dat werk niet kunnen overtreffen, (zelfs) niet een spinnenweb, dat hangt aan de hoogste balk), en hij maakte ze zo dat meegeven met lichte aanrakingen en kleine stoten en nadat ze rondom het bed gehangen zijn, rangschikt hij ze vernuftig.Zodra de echtgenote en de echtbreker in/op het bed samenkwamen, raakten beiden, toen ze middenin hun omhelzingen betrapt/gegrepen waren, verstrikt in de boeien, die met de vakbekwaamheid van de man op een ongekende wijze vervaardigd waren. Meteen opende de Lemniër de ivoren deur en liet de goden binnen: zij lagen (daar) in hun schande/schandelijk vastgebonden, en iemand van de vrolijke/geen droefheid kennende goden zou ook wel zo te schande gemaakt willen worden/wenst ook op deze manier te schande gemaakt te worden: de (hemel)goden lachten, en lange tijd was dit het meest bekende verhaal in de hele hemel |
|
Metamophoses IV, 432 - 468 |
|
Er is een naar beneden lopende weg, overschaduwd door de dodelijke taxus: hij leidt naar de onderaardse woonplaatsen; De traagstromende Styx ademt (er) nevelflarden uit, en de schimmen van pasgestorvenen en de schimmen die een begrafenis hebben gekregen dalen daarlangs af; bleekheid en winter houden de ruwe plaatsen in hun greep, en nieuwe schimmen weten niet waar de weg is, waarlangs het/de weg leidt naar de stad van de Onderwereld, waar het grimmige paleis van de zwarte Dis is. De grote stad heeft duizend ingangen en aan alle kanten open poorten, en zoals de zee de rivieren van de hele aarde (opneemt), zo neemt die plaats alle schimmen op en is voor geen enkele menigte te klein of voelt de massa erbij komen. Bloedeloze schimmen, zonder lichaam en botten zwerven rond, en een deel bezoekt vaak het forum, een deel het paleis van de koning van de Onderwereld, een deel oefent zekere vakken uit, afspiegelingen van het oude/vroegere leven, een hen toekomende straf houdt een ander deel in bedwang. Iuno, de dochter van Saturnus, waagt het daarheen te gaan, nadat ze haar hemelse zetel verlaten heeft (zozeer gaf zij toe aan haar haatgevoelens en woede). En zodra zij daar binnenging en de drempel piepte onder de last van haar heilig lichaam, stak Cerberus zijn drie koppen naar buiten en gaf in één keer drie blaffen; zij roept de zusters, de dochters van de Nacht, onverbiddelijke en onverzoenlijke goddelijke machten: zij zaten voor de met stalen grendels gesloten deur van de gevangenis en waren de zwarte slangen in hun haren aan het uitkammen. En zodra zij haar herkenden tussen/in de schaduwen van de duisternis, stonden zij op voor de godin; (de plaats) wordt het Oord der Verdoemden genoemd: Tityos bood (telkens) zijn ingewanden aan om te verscheuren en hij lag uitgestrekt over negen morgens land; door jou, Tantalus wordt geen druppel water gegrepen, en de boom die boven je hoofd hangt, wijkt terug. Sisyphus, ofwel jij loopt het rotsblok, dat weer zal teruggaan, achterna ofwel jij duwt het voort, Omdat zij het gedurfd hebben hun neven een gewelddadige dood te bereiden, gaan de kleindochters van Belos onafgebroken terug om water te halen om dat weer te verliezen. |
|
Metamophoses IV, 639 - 662 |
|
"Gastheer," zei Perseus tegen hem "als de roem van een groot geslacht jou beroert, Iuppiter is mijn (stam)vader; als je een bewonderaar bent van heldendaden, zul je de onze/mijne bewonderen. Gastvrijheid en rust vraag ik." Hij was gedachtig aan/dacht aan de oude orakelspreuk. Themis van de Parnassus had deze orakelspreuk gegeven: "Er zal een tijd komen, Atlas, waarop jouw boom beroofd zal worden van haar goud en een zoon van Iuppiter zal de roem van deze buit hebben." Omdat hij dit (orakel) vreesde had Atlas de boomgaard omsloten met massieve bergen en had hij deze aan een grote slang gegeven om te bewaken en weerde hij alle vreemdelingen uit zijn eigen gebied. Ook zei hij tegen hem: "Ga ver weg, om te voorkomen dat niet de roem van je heldendaden, die je verzint, dat Iuppiter jou niet helpen." En aan zijn bedreigingen voegt hij geweld toe en hij probeert hem met zijn handen te verdrijven. omdat hij aarzelt en krachtige woorden afwisselt/mengt met vriendelijke. Zwakker in kracht(en) (wie immers zou opgewassen zijn tegn de krachten van Atlas?) zei hij: "maar omdat onze vriendschap voor jou van weinig waarde is, neem een geschenk aan en nadat hij zichzelf omgekeerd had stak vanaf de linkerkant het gezicht-met-slangen van Medusa naar voren. Zo groot als hij was, Atlas werd (veranderd) in een berg, want zijn baard en haren gaan over in bossen, en zijn schouders en handen zijn bergruggen, wat vroeger zijn hoofd was is de top op het hoogste (punt) van de berg, zijn botten werden steen: toen is hij, uitdijend in alle richtingen over een onmetelijke afstand gegroeid (zo hebben jullie goden besloten) en de hele hemel met zovele sterren rustte op hem. |
|
Metamophoses VII, 38 -73 |
|
"Zal ik het rijk van mijn vader verraden en zal door onze hulp een of ander vreemdeling gered worden, opdat hij, (wanneer hij) door mij behouden (is), zonder mij de zeilen aan de winden geeft/wegzeilt en de man i van een ander (en) ik, Medea, achtergelaten wordt tot straf/om gestraft te worden? Als hij dit kan doen of een ander (vrouw) boven mij verkiezen, laat hij dood neervallen, de ondankbare. Maar niet van dien aard is zijn gezicht (lett: in hem), niet van dien aard is zijn edelmoedigheid van geest, niet van dien aard is de charme van zijn gestalte, dat ik bang ben voor bedrog en het vergeten van onze verdienste (door hem). En hij zal van tevoren zijn woord van trouw geven en ik zal de goden ertoe bewegen getuigen bij onze overeenkomst te zijn. Waarom ben je bang voor dingen die veilig zijn? Gord je aan/bereid je voor en verjaag elk uitstel! Aan jou zal Iason zich altijd verplicht voelen, jou zal hij door een plechtig huwelijk aan zich verbinden, en in alle Griekse steden zal jij door de menigte moeders geëerd/geprezen worden als redster. Moet ik dus mijn zus en broer en vader en goden en geboortegrond verlaten, weggevoerd door de wind(en)? Toch (doe ik het), want mijn vader is wreed, toch (doe ik het), want mijn land is onbeschaafd, mijn broer nog heel jong. De wensen van mijn zus staan aan mijn kant, de machtigste god is binnen in mij. Ik zal geen grootse dingen achterlaten, ik zal grootse dingen najagen: de eer van het redden van de Griekse manschappen, het leren kennen van een betere plaats en steden, waarvan de reputatie ook hier krachtig is, en de beschaving en kunsten van de plaatsen, en hem, de zoon van Aeson, die ik zou willen inruilen voor (alle) zaken, die de hele wereld bezit, met hem als echtgenoot zal ik gelukkig en bij de goden dierbaar genomd worden en zal ik met mijn hoofd de sterren aanraken. Wat ervan te zegeen, dat men zegt dat zekere bergen midden in de golven opdoemen/tegen elkaar botsen, dat de voor schepen vijandige Charybdis de zee opslurpt, dan weer uitspuwt en dat de roofzuchtige Scylla, omgeven met woeste honden blaft in de diepe zee van Sicilië? Toch (doe ik het) omdat ik vasthoud , wat ik bemin en me vastklampend op de schoot van Iason zal ik gevoerd worden over uitgestrekte zeeën: voor niets zal ik bang zijn, wanneer ik hem omarmd heb, of, als ik voor iets bang zal zijn, zal ik alleen mijn hart vasthouden voor mijn echtgenoot. Beschouw je dit als een huwelijk en geef je schoonschijnende namen aan je schuld, Medea? - Kijk toch eens hoe groot onrecht je op het punt staat te begaan, en ontvlucht, zolang het nog kan, de misdaad." Zo sprak zij, en haar voor ogen stonden het rechtvaardige en de eerbied (voor ouders en goden) en haar eergevoel, en Cupido, overwonnen, was al aan het vluchten. |
|
Metamophoses XI, 1 - 66 |
|
Terwijl de Thracische
ziener/dichter met zo'n lied de bossen en de zielen van de dieren en
de rotsen voorgaat/aanvoert, (zo)dat ze hem volgen, kijk!, jonge vrouwen
van de Ciconiërs, hun waanzinnige borsten bedekt met huiden van wilde
dieren, zien vanaf de top van een heuvel Orpheus z'n liederen begeleiden
/terwijl hij zijn liederen begeleidt met het tokkelen van de snaren.
Eeen van hen, nadat ze haar haar in de lichte wind heeft geworpen, zegt:
''kijk, kijk, daar is de verachter van ons" en zij gooide haar
lans naar het zingende gezicht van de ziener/dichter van Apollo, maar
die (lans), omkranst met bladeren maakte (slechts) een merkteken zonder
wond; het wapen van een ander is een steen, die, nadat hij gegooid is,
al in de lucht is overwonnen door de harmonie van stem en lier en als
het ware vergiffenis vragend voor zo waanzinnige waagstukken, voor z'n
voeten bleef liggen.Maar toch nemen de roekloze gevechten toe, en is
er gaat maat meer en de waanzinnige Wraakgodin regeert. En alle projectielen
zouden door het gezang krachteloos gemaakt zijn, maar het geweldige
geschreeuw en de Phrygische fluit met gebogen mondstuk ne de tamboerijnen
en het geklap en het Bacchische gejoel overstemden het geluid van de
citer.Toen uiteindelijk kleurden de rotsblokken rood door het bloed
van de ziener/dichter omdat hij/die niet gehoord werd. |
|
Metamophoses XI, 67 - 84 |
|
Toch laat Bacchus niet toe dat deze misdaad ongestraft blijft en omdat hij bedroefd was over het verlies van de ziener/dichter (visionaire zanger) van zijn mysteriën bond hij meteen alle Thracische vrouwen, die verantwoordelijk waren voor de goddeloze daad, vast in de bossen met gedraaide boomwortels. En wel zo: op de plek waar iedere vrouw terecht gekomen was, trok hij aan hun tenen en duwde de punten in de vaste grond, en zoals een vogel wanneer hij met zij pootje in in de stroppen, die een slimme vogelvanger verborgen heeft, verstrikt is geraakt en merkt dat hij vastgehouden wordt, fladdert en klapwiekend door het bewegen de de stroppen vast aantrekt, zo, zoals een ieder van hen vastgehecht was in de grond, probeerde ze schichtig tevergeefs de vlucht/te vluchten; maar de taaie boomwortel houdt haar vast en beteugelt haar, terwijl/omdat ze heftig beweegt, en terwijl ze zoekt waar haar tenen zijn, waar haar voet en haar nagels ziet zij hout tegen haar slanke kuiten opgroeien en terwijl ze probeert met haar bedroefde (rechter)hand op haar dijbeen te slaan, slaat zij op hout: ook haar borst wordt hout, hout zijn haar schouders, ook zou je (kunnen) menen dat haar armen echte lange takken zijn en je zal je niet vergissen door (dat) te menen. |
|
Metamophoses XI, 85 - 145 |
|
a) 85 - 99 Maar dit is niet genoeg voor Bacchus: hij verlaat ook de akkers zelf en met zijn betere gevolg gaat hij naar de wijgaarden van zijn Timolus en naar de Pactolus, hoewel deze in die tijd nog niet van goud was en niet benijd/afgunstwekkend door z'n kostbare goudkorrels. Hem (Bacchus) bezoeken regelmatig zijn gewone schare/gevolg Satyrs en Bacchanten, maar Silenus is afwezig. Hem, waggelend zowel door jaren als door de wijn grepen Phrygische boeren, en voerden hem, geboeid met kransen, naar koning Midas, aan wie de Thracische Orpheus samen met de Atheense Eumolpius de Bacchusfeesten overgeleverd had. Zodra hij hem had herkend als makker en metgezel in de mysteriën, vierde hij, vrolijk door de de komst van zijn gastvriend, feest gedurende tweemal vijf nachten en de onmiddellijk erop volgende nachten.En reeds had de elfde Lucifer de hoog aan de hemel staande stoet van sterren verdreven/bijeengedreven toen de koning blij naar de Lydische akkers kwam/ging en Silenus teruggaf aan zijn jonge pleegzoon, b) 100 - 120 Hem gaf de god de aangename/dankbaar aanvaarde, maar nutteloze/slecht gebruikte mogelijkheid om een wens te doen, omdat hij zich verheugde over het terugontvangen van zijn opvoeder. Hij, die het geschenk slecht zou gebruiken, zei: "Maak dat alles wat ik met mijn lichaam zal aanraken wordt veranderd in goudgeel goud." Bacchus (Liber) stemde in met de wens en verleende het geschenk dat schade zou brengen en betreurde dat hij niets beters had gewenst. Blij gaat hij (Midas) weg en de Berecynthisce/Phrygische held verheugt zich over het kwaad en hij beproeft de betrouwbaarheid van de belofte door dingen stuk voor stuk aan te raken. en terwijl hij zichzelf nauwelijks geloofde, trok hij een groene twijg van het niet hoge loof van een steeneik: de twijg werd van goud; hij tilt een steen van de grond: ook de steen werd bleek door het goud; hij raakt ook een aardkluit aan: door de kracht van de aanraking wordt de kluit een goudklomp; hij plukte korenaren van Ceres af: het was een gouden oogst; hij pakt een appel van een boom af en houdt die vast: je zou kunnen denken dat de Hesperiden die geschonken hadden; als hij de hoge deurposten met zijn vingers aanraakt, ziet men dat de deurposten schitteren. Zelfs toen hij zijn handen met vochtig water gewassen had, zou de uit zijn handen stromende regen Danaë hebben kunnen misleiden. Terwijl hij alles van goud maakt kan hijzelf nauwelijks in zijn geest zijn verwacht bevatten; terwijl hij blij was hebben de dienaren tafels voor hem neergezet, die rijk beladen waren met spijzen en geen gebrek aan brood hadden. c) 121 - 133 Maar toen, wanneer hij met zijn rechterhand de geschenken van Ceres (brood) had aangeraakt, werden de geiften van Ceres hard; of wanneer hij zich gereedmaakte met gulzige tanden een hap te nemen van de spijzen, overdekte een goudgele laag de spijzen, nadat hij zijn tanden erin had gezet; hij had de wijn (de gever van de gift) vermengd met zuiver water: men had het vloeibaar goud door zijn mond kunnen zien stromen.Verbijsterd door het nieuwe van het kwaad, wenst hij, zowel rijk als ongelukkig, (eraan) te ontkomen en haat dat wat hij zojuist gewenst had. Geen enkele voorraad stilt zijn honger, een droge dorst brandt zijn keel, en hij wordt terecht/verdiend gekweld door het gehate goud en zijn handen en schitterende armen ten hemel opheffend, zegt hij: "Schenk vergiffenis, vader Lenaeus! Wij hebben gezondigd, maar heb medelijden, smeek ik, en ontruk mij aan deze schitterende/schoonschijnende ramp". d) 134 - 145 Het wezen van de goden is vriendelijk: Bacchus gaf hem, die bekende gezondigd te hebben, zijn vroegere natuur terug en omdat hij garant bleef voor zijn daad maakte hij het gegeven geschenk ongedaan. "Opdat je niet besmeurd blijft met het slecht gewenste goud, ga" zei hij "naar de rivier die grenst aan het grote Sardes en neem de weg over de hoogte van de oever stroomopwaarts, totdat je komt bij de oorsprong van de rivier, en dompel tegelijkertijd je hoofd en je lichaam onder in de schuimende bron, waar hij het krachtigst naar buiten komt." De koning gin onder het bevolen water: de goumakende kracht kleurde de rivier en week van het menselijk lichaam in de rivier. Ook nu nog staan de akkers stijf van het goud nadat ze de grondstof van de metaalader, hoewel deze al lang bestond, in zich hadden opgenomen, bleek wat betreft de vochtige kluiten. |
|
Metamophoses XI, 146 - 193 |
|
a) 146 - 159 Hij, een afkeer hebbend van rijkdom, bewoonde de bossen en het platteland en vereerde Pan, die altijd in de grotten van de bergen woont, maar lomp bleef zijn geest en het verstand van zijn domme geest stond weer op het punt, zoals vroeger, schade toe te brengen aan zijn meester. Want ver uitkijkend over de zee verheft de steile Tmolus zich in de hoogte en met zijn hellingen uitgestrekt naar beide zijden, wordt hij aan deze kant door Sardes, aan die kant door het kleine Hypaepa begrensd. Daar komt Pan terwijl hij met bravour zijn liederen voordraagt aan de jonge nimfen en zijn speelse lied op de met was bijeengehouden rietfluit speelt, omdat/nadat hij het gewaagd heeft de liederen van Apollo te minachten in vergelijking tot zijn eigen (liederen) naar een ongelijke wedstrijd met de Tmolus als rechter. De oude rechter is op zijn eigen berg gaan zitten, en ontdoet zijn oren van de bomen; zijn blauwgroene haar wordt slechts omkranst met een krans van eikenloof en rondom zijn ingevallen slapen hangen eikels. b) 160 - 179 En hij, kijkend naar de god van het vee, zei : "Wat de rechter betreft, is er geen enkele reden tot uitstel" Hij (Pan) blaast op zijn landelijke/boerse rietfluit en met zijn onbeschaafde lied wint hij Midas (want die was toevallig aanwezig bij de wedstrijd) voor zich; na hem draaide de heilige Tmolus zijn gelaat naar het gezicht van Apollo; zijn bos volgde zijn gezicht. Hij (Apollo), zijn blonde hoofd met een lauwerkrans van de Parnasus sleept over de grond met zijn met Tyrisch purper gekleurde mantel en houdt zijn lier, voorzien van edelstenen en ivoor, links omhoog; zijn andere hand houdt het plectrum vast: alleen al de houding is die van een kunstenaar; dan tokkelt hij met zijn bedreven duim op de snaren, door de lieflijkheid daarvan gegrepen beveelt Tmolus Pan de rietfluit ondergeschikt te maken aan de lier. Het oordeel en de mening van de heilige berg valen bij allen in de smaak; toch worden ze afgekeurd en onjuist genoemd door de woorden van één: Midas. En Apollo duldt niet dat de lompe oren hun menselijke vorm behouden, maar hij rekt ze in grootte uit en bedekt ze met een witte vacht en maakt ze aan de onderkant slap en maakt dat ze bewogen kunnen worden; voor de rest blijft hij mens (de overige lichaamsdelen blijven van een mens).; In één deel wordt hij gestraft en krijgt hij de oren van een langzaam voortstappende ezel. c) 180 - 193 Hij verlangt weliswaar het te verbergen en uit schaamte voor zijn schande probeert hij zijn slapen te verbergen met/onder een Phrygische muts; maar een dienaar, die gewoon was zijn lange haren af te snijden met een scheermes had het gezien; en omdat hij de geziene schande niet durfde te verraden, hoewel hij verlangde ze in de openbaarheid te brengen, maar het toch ook niet voor zich kon houden, trekt hij zich terug en graaft een gat in de grond en vertelt met zachte stem hoe de oren van zijn meester eruit zagen en fluistert het in de kuil en door de aarde weer terug te gooien begraaft hij het uitgesproken geheim en hij gaat stil weg van de toegedekte kuil. Een bos vol met trillende rietstengels begint daat daar te groeien en zodra het na verloop van een jaar volgroeid is, verraadt het de zaaier: want bewogen door de zachte zuidenwind herhaalt het de woorden en verraadt het de oren van de meester. |
|
Metamophoses XV, 871 - 879 |
|
Nu heb ik een werk voltooid, dat (l.vw) noch de woede van Iuppiter,noch vuur, noch zwaard, noch de verpulverende ouderdom zal kunnen vernietigen. Laat die dag, die op niets anders recht heeft dan op dit lichaam, maar wanneer zij dat wil (zal willen) voor mij de duur van het onzekere leven beëindigen:met het betere deel van mijzelf zal ik toch voor eeuwig boven de hoge sterren gedragen worden, en mijn naam zal onverwoestbaar zijn en waar de Romeinse macht zich vestigt, nadat de volken overweldigd zijn, zal ik gelezen worden door de mond van het volk en door mijn roem zal ik door alle eeuwen (voort)leven, als de voorspellingen van dichters iets van waarheid hebben. |
|
Wanneer het zeer droeve beeld (mij) voor de geest komt van die nacht, waarin voor mij het allerlaatste moment in Rome viel/was, wanneer ik (mij) de nacht weer voor de geest haal, waarin ik zoveel mij dierbare dingen heb achtergelaten/verlaten, glijdt er ook nu nog een traan uit mijn ogen. Reeds war er al bijna het licht (van de dag), waarop Caesar (Augustus) mij bevolen had weg te gaan uit/voorbij de uiterste grenzen van Italia. Noch was er genoeg tijd noch zin geweest, <geschikt> om voorbereidingen te treffen: ons hart was verlamd door het lange wachten/uitstellen. Niet bekommerde ik mij om slaven, niet om het uitkiezen van metgezellen, niet om kleding of benodigdheden, geschikt voor/passend bij een balling. Ik was niet anders verbijsterd/in een roes, dan iemand die (nog) leeft nadat hij door de bliksem van Iuppiter getroffen is en zelf zich niet van zijn eigen leven bewust is. Toen toch het verdriet zelf deze wolk/nevel van mijn mijn geest verdreef, en eindelijk mijn zinnen weer op kracht kwamen, sprak ik op het punt staande te vertrekken voor de laatste maal mijn bedroefde vrienden toe, die (nog) van de zopas velen met een paar aanwezig waren. Mijn liefhebbende vrouw hield mij, terwijl ik huilde en terwijl zijzelf nog harder huilde, vast, terwijl er aan één stuk door een tranenstroom over haar wangen, die dat niet verdienden, viel. Mijn dochter was ver van ons gescheiden op de Lybische kusten en kon niet op de hoogte zijn van mijn lot. Waarheen je ook maar zou kijken, (daar) weerklonken rouwmisbaar en jammerklachten en binnenshuis had het de aanblik van een niet stille/zeer luidruchtige begrafenis. Vrouw en man, ook de kinderen, treurden over mijn begrafenis, en in het huis had elk hoekje tranen. Als het geoorloofd is voor kleine dingen grootse voorbeelden te gebruiken, dit was de aanblik van Troje, toen het ingenomen werd. En reeds kwamen de stemmen van mensen en honden tot rust, en de maan, hoog (aan de hemel), bestuurde haar nachtelijke paarden. Terwijl ik naar haar omhoog keek en bij haar licht het Capitool onderscheidde, dat tevergeefs grensde aan onze Lar (=huis), zei ik: " U goden, die de naburige zetels bewonen, en tempels die nooit meer door mijn ogen gezien moeten/mogen worden, en u, goden, die verlaten moeten worden, aan wie de hoge stad van Quirinus een woonplaats biedt, weest voor altijd gegroet door mij! En, hoewel ik (te) laat mijn schild opneem tegen de verwondingen, bevrijdt toch deze vlucht van haatgevoelens en zegt tegen de hemelse man welke vergissing mij misleid/bedrogen heeft, opdat hij het niet meent dat er sprake is van een misdaad in plaats van schuld/een (ongewilde) fout. Zodat de veroorzaker van de straf ook inziet wat jullie weten, wanneer de god gunstig is gestemd kan ik niet ongelukkig zijn." Met dit gebed riep ik de (hemel)goden aan: mijn vrouw (riep hen aan) met meer (gebeden), terwijl haar gesnik haar midden in haar woorden belemmerde/onderbrak. Zij raakte zelfs, met loshangende haren voor de Laren uitgestrekt op de grond liggend, met trillende mond het uitgedoofde altaar(vuur) aan en zij stortte veel woorden uit over de ongunstig gezinde Penaten, (woorden) die niets zouden vermogen/teweegbrengen ten gunste van haar bejammerde man. En reeds stond het ten einde spoeden van de nacht geen moment (van) uitstel meer toe en was de Grote Beer al om zijn as gedraaid. Wat had ik moeten doen? Ik werd (steeds maar) weerhouden door de innige liefde voor mijn vaderland: maar dat was de (aller)laatste nacht voor de bevolen vlucht. Ach! Hoe vaak heb ik gezegd, wanneer iemand me zei me te haasten: "Waarom dring je aan? Ga eens na waarheen jij mij haast te gaan, of waarvandaan!" Ach! Hoe vaak heb ik gelogen dat ik een vastgesteld uur (van vertrek) had, dat geschikt zou voor de voorgenomen reis/tocht. Driemaal heb ik de drempel aangeraakt, driemaal ben ik teruggeroepen, ook mijn voet zelf/mijn eigen voet was traag voor mij omdat hij (graag) toegevend was aan mijn hart. Dikwijls heb ik weer veel gesproken, nadat ik (weer eens) 'vaarwel' had gezegd, en heb ik, terwijl ik deed alsof ik wegging, de (aller)laatste kussen gegeven. Dikwijls heb ik dezelfde opdrachten gegeven, en heb ik me zelf voor de gek gehouden, terwijl ik met mijn ogen omkeek naar alles wat mij dierbaar is/al mijn dierbaren. Tenslotte zei ik: "Waarom haast ik mij? het is Scythië, waarheen wij geturd worden. Rome moet verlaten worden. Elk van beide is een terecht(e reden voor) uitstel. Mijn vrouw, hoewel zij leeft, wordt voor eeuwig aan mij, hoewel ik nog leef, onthouden, ook mijn huis en de trouwe leden van mijn diebare huishouding, en mijn kameraden van wie ik hield als broers, o hartsvrienden met mij verbonden met de trouw van Theseus! Zolang het toegestaan is, zal ik (jullie) omarmen, misschien zal het nooit meer toegestaan zijn. Elk/Een uur dat mij gegeven wordt is winst (voor mij). Maar zonder uitstel/plotseling laat ik de woorden van mijn gesprek onafgemaakt, terwijl ik ieder die mij het meest het hart ligt omarm. Terwijl ik praat en wij wenen, was zeer schitterend aan de hoge hemel, de voor ons fatale ster, Lucfer, opgekomen. Ik word verscheurd niet anders dan als ik mijn ledematen zou achterlaten en een deel van het eigen lichaam afgerukt schijnt te worden. Zulke pijn had had Mettius toen, toen in tegengestelde richtingen gewende paarden had als wrekers van zijn verraad. Op dat moment rijst echt het geschreeuw en gejammer van de mijnen op en slaan bedroefde handen op de blote borsten. Toen echt mengde mijn vrouw, zich vastklampend aan de schouders van de vertrekkende, deze droeve woorden met mijn tranen: "Je kunt niet <van mij> weggerukt worden. We zullen samen vanhier, samen weggaan", zei zij, "ik zal jou volgen en als balling zal ik de vrouw van een balling zijn. Ook voor mij is de weg gemaakt, ook mij zal het uiterste der aarde herbergen: ik zal als kleine bagage van een balling aan boord van het schip gaan. De toorn van Caesar beveelt jou uit het vaderland weg te gaan, mij (beveelt) de plichtsgetrouwheid/liefde. Deze plichtsgetrouwheid/liefde zal voor mij Caesar zijn." Dergelijke dingen probeerde zij, zoals zij al eerder geprobeerd had, en met moeite gaf zij zich gewonnen door de praktische overwegingen. Ik ga naar buiten - of was dat een naar het graf gedragen worden zonder begrafenis(stoet) - smerig met los neerhangende haren langs een stoppelig gezicht. Men vertelst dat zij, buiten zinnen van verdriet, nadat er een flauwte bij haar opgekomen was, middenin het huis voorover op de grond viel: en dat zij, toen zij zich met door het vuile stof vies geworden haren opgericht had en haar ijskoude ledematen van de grond had opgeheven, nu eens zichzelf, dan weer de verlaten Penaten bejammerd heeft en dikwijls de naam van haar weggerukte man geroepen heeft. En dat zij niet minder geklaagd/gezucht heeft dan als zij de lichamen van haar dochter en man op de opgerichte brandstapels had zien liggen en dat zij wilde sterven en door te sterven haar gevoelens afleggen, en dat zij toch niet gestorven was uit respect voor mij. Moge zij leven, en moge zij leven opdat zij de afwezige, aangezien het lot het zo gebracht heeft, onafgebroken met haar hulp ondersteunt. |
|
Tristia II, 99 - 108 |
|
De laatste ramp richt mij te gronde, en tot in het diepst van de zee doet één storm mijn zo vaak behouden schip zinken. En niet een klein deel van de zee heeft mij geschaad, maar alle golven en de oceaan hebben dit hoofd overweldigd. Waarom heb ik iets gezien? Waarom heb ik mijn ogen schuldig gemaakt? Waarom is er door mij in mijn onvoorzichtigheid een vergrijp waargenomen? Actaeon zag Diana zonder kleren, per ongeluk, toch was hij de de prooi voor zijn eigen honden. Natuurlijk moet, als er goden bij betrokken zijn, ook geboet worden voor een ongelukkig toeval en wanneer een godheid gekwetst is, kent (heeft) een ongelukkig voorval geen vergeving. |